Luis Landero: Ridders van fortuin

Uit het Spaans vertaald door Elly de Vries-Bovée


1

Toen vaststond dat Belmiro Ventura y Vega (de Chileen, zoals men hem hier noemde) voorgoed zou terugkeren en dat zijn terugkeer reeds aanstaande was, verkondigde don Julio, onze plaatselijke chroniqueur, mondeling en schriftelijk dat deze gebeurtenis misschien een teken van de voorzienigheid was en zo zijn theorie illustreerde dat er een nieuw historisch tijdperk in de wereld was aangebroken. ‘Na een halve eeuw dictatuur van de massa,’ -zou hij diezelfde middag nog in De Stem van Gévora schrijven, hoogdravende woorden die Amalia Guzmán begeleidde met de eerste tonen van haar dagelijkse pianoconcert, dat misschien beluisterd werd door Luciano, die verteerd door liefde achter de eenzame kastanjeboom van het pleintje van Ultramar verstopt zat- ‘zou je kunnen zeggen dat de elite voorzichtig begint terug te keren naar het toneel van de Geschiedenis,’ -en de Tejedores zagen waarschijnlijk bij het vuur reeds een prachtige toekomst in het verschiet, daartoe gerechtigd door vier eeuwen misère en smaad- ‘opnieuw bereid de verantwoordelijkheden van haar klasse te dragen en de teugels van de toekomst stevig ter hand te nemen,’ -terwijl wij, zoals altijd om deze tijd, en zoals ook op dit ogenblik in het jaar 1993, op de Plaza de España van de laatste weldadige middagzon zaten te genieten, op een rij naast elkaar en starend in de verte. Zolang men zich kan herinneren heeft het hier nooit aan een aantal onpartijdige toeschouwers ontbroken. Vroeger waren het er wel meer dan dertig, maar nu zijn we maar met een stuk of zes, en hier brengen we onze dagen door, op een rij naast elkaar op een lange stenen bank, onze voeten bungelend in de lucht. De vreemdeling of nieuwsgierige hoeft niet eens attent te zijn op een nieuwtje in zijn omgeving; het is voldoende naar onze voeten te kijken. Als ze bewegen dan is er iets gebeurd, en de omvang van het gebeurde is aan de heen en weer gaande beweging af te meten; als ze meteen weer tot stilstand komen is er sprake van vals alarm. De geschiedenis van dit dorp wordt, zoals die van vele andere, geschreven op het ritme van vele generaties voeten. Door al dat geschuif is er onder de bank een uitgesleten en vuile streep ontstaan, en op haar manier is daar, als in een laag reliëf, de onleesbare maar exacte kroniek van onze dagelijkse geschiedenis geciseleerd. En op enkele meters afstand, centraal op het plein tussen zes sinaasappelbomen en twee palmen, biedt ook de Veroveraar zijn versie van de tijden aan. ‘Ter ere van don Quintín de Vargas y Ventura, held van de Verovering van Chili’, staat er op het voetstuk te lezen. Het is een ruiterstandbeeld, gedrongen en spectaculair, waarop de held met het gewicht van zijn wapenrusting en zijn titanengestalte een klein paard afbeult dat in een kermiscarrousel had kunnen staan, één poot overdreven hoog in de lucht als een welsprekend gebaar van solidariteit met de ruiter die met zijn wijsvinger naar het noordoosten wijst, niet zozeer naar de verte als wel naar een legendarische door hem ontwaarde toekomst. Na eeuwen is de vinger echter nog steeds gericht naar een omringende vlakte met weidegronden vol steeneiken en stukken zanderige bodem waar geiten en schapen grazen, waar de affodil en de koningskaars groeien en waar onbestendig en traag een rivier stroomt, een vlakte die de landstreek kenmerkt en haar haar naam geeft: het Braakland van Gévora. En in dezelfde richting bevindt zich ook het dichtstbijzijnde spoorwegstation, op ongeveer dertig kilometer afstand en te bereiken via een weg komend uit een heuvelrug die op heldere dagen blauw is, en die zich naar beneden slingert tot hij recht wordt, zich een poosje verstopt tussen de populieren langs de rivier, om enkele moestuinen heenloopt, en reeds veranderd in de Calle de San Antón op het plein uitkomt. In die richting keken we op die oktobermiddag in 1977, hopend dat er een auto zou opdoemen zodat we, al was het maar met een vluchtige blik, konden vaststellen hoe verouderd Belmiro Ventura na al die jaren van afwezigheid zou zijn. Maar sinds die dag zijn er al meer dan vijftien jaar verstreken, enkele chroniqueurs zijn overleden en anderen zijn naar god-weet-waar vertrokken. De voordeur van Cele’s emporium -met op de benedenverdieping een cafetaria en een restaurant, in het souterrain een dancing en op de twee overige verdiepingen hotel Celton- is nu met twee gekruiste planken dichtgetimmerd, en als je goed kijkt kun je boven de resten van de markiezen nog een paar resten onderscheiden van een lichtreclame die in zijn beste tijd twee toostende en bruisende, eveneens gekruiste, roemers vormde die als het donker werd de wereld lonkten met hun geknipper dat uiteindelijk eerder halsstarrig dan beloftevol was. En daarnaast, in de etalage van parfumerie Celeste, liggen sinds meer dan vijf jaar alleen nog maar een kurk en wat houtwol. Erbarmelijke tijden! Het enige dat nog exact hetzelfde is gebleven is de textielwinkel van don Julio Martín Aguado, met zijn bloedeloze en stoffige vitrines, volgestouwd met collecties knopen, garenklosjes en knotten wol. En ook hij, don Julio, schrijft nog steeds zijn tweewekelijkse kronieken voor De stem van Gévora, onze lokale krant. Daarin zoekt hij naar de uiteindelijke oorzaken van de bloei en de neergang van onze streek en van het hele Westen, en stelt ze ter discussie in het licht van de geschiedenis, zijn favoriete onderwerp sinds de dag waarop het lot hem plotseling midden op de Plaza de las Cibeles in Madrid, en enkele minuten voordat het op de klok van het hoofdpostkantoor elf uur in de ochtend zou slaan, het opperste goed van de charismatische welsprekendheid schonk. Dat ge-beurde op 11 november 1976, en tot die datum was hij -don Julio Martín Aguado, oprichter van de firma in stoffen, garen en knopen ‘Aguado y Martín Textiel’, bewonderaar en verwoed lezer van Ortega y Gasset, vandaar de omzetting van de achternamen, en in zijn vrije tijd liefhebber van het gedenken van de heldendaden van Alexander De Grote in het Oosten- een man geweest als zovelen, een zoon zijn tijdperk onwaardig, en hier twijfelde hij of hij het juiste woord te pakken had: substantieloos? oppervlakkig? onbeduidend? anekdotisch? grauw? waarbij hij met zijn vingers meetelde. ‘Onbenullig,’ placht een in de ironie ervan berustende stem vanuit de hoek van de bank op te merken toen hij ons voor de derde of vierde keer vertelde over die gedenkwaardige dag in de herfst, waarna hij zijn hand uitstrekte, een dramatische evocatieve trilling in zijn toon legde en aarzelend bevestigde: ‘Onbenullig, heren, een onbenullig schepsel!’ en op het hoogtepunt van de vertrouwelijkheid nodigde hij ons opnieuw uit over die treurige paradox na te denken: een man die in de tijd leeft van de opstand der horden, van de Verovering van de maan, van de relativiteitstheorie, van de Russische Oktober, van de Koude Oorlog, van de ontluiking van de genetica, en niettemin heren, een leeg man, vlak, zonder ideeën of oordeelkundigheid, en zonder een verleden dat de moeite waard is om erover te vertellen: kortom, een leven zonder richting of substantie. Een paradox, inderdaad, vervolgde de spreker, die ook een zeker sarcasme in zich borg: het potsierlijke drama van een ernstig man met een gezonde rode kleur en een Cicero-achtige onderkin, een vest en een zakhorloge, die door vrouwe Fortuna al met al schaars was toebedeeld met het zout van de welsprekendheid. Waarom schept het lot, mijn God, er zoveel genoegen in zijn beste zonen met dergelijke misplaatstheden te beledigen? Tot op die novemberdag in 1976 was zijn onbenulligheid namelijk zodanig geweest dat hij, wanneer hij televisie keek, naar de radio luisterde of de kranten las, zijn mening hooguit wist uit te drukken door het opeenvolgende: ‘Tja! Dat is me ook wat! Mijn hemel! Inderdaad! Toe maar! Nee maar!’ een reeks die hij afwerkte zoals een ijverig scholier zijn voorzetsels opzegt. Tenzij hij in primitievere uitspraken verviel. Dan riep hij bijvoorbeeld: Oeff! Bwah! Brrrgg! Ggoh! Tsssjj!’ en soms, op zeer geïnspireerde momenten, reeds dronken van zijn eigen onbenulligheid, stootte hij een waarlijk gebrul uit, zo verschrikkelijk dat de kleine kinderen wakker werden en hysterisch begonnen te krijsen, de in gepeins verzonkenen opschrokken en de slechthorenden zuchten slaakten. ‘Het is don Julio, die het nieuws van de dag becommentarieert,’ ging het dan rond in de buurt, en iedereen luisterde, diep onder de indruk en vol bewondering voor de onomwondenheid en welluidendheid van zijn meningen, want alleen zeer sterke ideeën konden een dergelijk brulconcert rechtvaardigen. Maar later, als zijn intellectuele onstuimigheid wat afnam en hij zich overgaf aan zijn liefde voor Alexander de Grote, verviel hij in een litanie van keelgeluiden, gekreun, gebrom, gesnurk en opgewekt geknor, bij welk wiegelied de kinderen weer insliepen, de gemoederen tot bedaren kwamen en de hele buurt als in een plotselinge droom gevangen bleef. Zo was het vroeger! En zo ging het vele jaren, vele zonnige of regenachtige middagen lang, terwijl hij omringd werd door banen stof, tricot, vele knopendozen, garenklosjes, maar vooral door de onbegrensde ruimte van zijn eigen noodlottige onbenulligheid. En nooit maakte hij iets mee. Ondanks de aandacht waarmee hij luisterde, de nieuwsberichten zag of las, en ook al eiste hij nog zoveel stilte van zijn omgeving (Antonia, zijn vrouw, had hij verboden haar mond open te doen of zich zelfs maar te bewegen als hij in de trance van zijn gedachten was verzonken), en ook al trachtte hij zijn concentratie te verhogen door zijn blik op ijle verten te vestigen, als een tenor in de Alpen, en dekte hij zelfs de kooi van de papegaai met een doek af om zijn kreten en commentaren niet geparodieerd te horen, ondanks al dat ceremonieel slaagde hij er niet in ook maar het begin van een originele gedachte te vinden. Soms ging hij er zelfs toe over met beide wijsvingers en duimen een ruit te vormen, maar zelfs dat hielp niet. Even later vertoefde zijn geest al weer in het dons van dromen en legenden. Don Julio had een gecastreerde kater, met een behaagziek gekromde rug, die naar de naam Alexander de Grote luisterde, en een papegaai die hij zonder ook maar een zweem van boosaardigheid Ortega y Gasset noemde. Want don Julio bewonderde Ortega y Gasset op filosofisch gebied net zoveel als de Macedonische koning op militair terrein. ‘Het zijn me er twee!’ riep hij soms uit, en meteen daarop snoof hij van bewondering om zoveel grootsheid. ‘Is er iets?’ vroeg Antonia dan. Waarop hij zei: ‘Mag ik dan in dit huis niet eens meer snuiven?’ en verongelijkt snoof hij nogmaals. Behalve van snuiven hield don Julio van dampende chocolade, die hij met twee handen opdronk, plechtig en met een slabbetje voor, en van beroemde anekdoten uit de geschiedenis. Geschiedenis was voor hem een retabel van gedenkwaardige kletspraatjes. Het meest hield hij echter van vurige speeches, van boude uitspraken en van redevoeringen die in staat waren mensenmassa’s in vervoering te brengen en te betoveren. Leiders, caudillo’s, ideologen, volksmenners! Soms stelde hij zich voor dat hij burgemeester was, en dan zag hij zichzelf op het balkon van het gemeentehuis staan, met een burgemeestersstaf in de hand en een sjerp over de borst, beide handen in victorie geheven en een opgewonden menigte groetend, maar dan keerde hij naar de werkelijkheid terug en schaamde zich meer dan ooit voor zijn trieste bestaan als winkelier. Wat een lot! En zo, gefascineerd door de politiek en de filosofie, beval hij Antonia soms: ‘Help jij de klanten maar, want ik moet even wat papieren doornemen.’ Dan ging hij via een scheepstrap naar het kantoortje boven de winkel dat uit een houten hokje met glazen ruiten bestond, omringde zich met rekeningen en staalboeken en verdiepte zich heimelijk in Ortega y Gasset, in een poging zich aan diens geest te laven en zich met de geheimen van zijn methode te doordrenken. ‘Hoe kon die ouwe bok op zoveel ideeën komen en ze zo goed formuleren?’ mompelde hij afgunstig en ongelovig. En op dezelfde wijze waarop de grote filosoof op een dag in 1926 observeerde hoe de menigte zich verdrong bij de loketten van de schouwburgen, in treincoupés of in hotelkamers, en uit dit simpele feit de gedachte van de opstand der horden abstraheerde, zo nam don Julio af en toe zijn hoed af en zei tegen Antonia: ‘Ik moet even iets gaan regelen!’ En dan ging hij de straat op om een ronde door het dorp te maken, met als doel eveneens een of ander simpel fenomeen te observeren dat hem op het spoor zou kunnen brengen van een briljante intellectuele vondst, een vondst van de eerste orde, emblematisch voor het tijdperk waarin hij toevallig leefde. Er waren bijvoorbeeld dagen dat hij ’s morgens vroeg al naar de markt ging en vanaf veilige afstand keek naar de bedrijvigheid van de viswagen, de voertuigen met groenten en fruit, de kleine vrachtauto met vlees, de bestelwagens met kazen, gevogelte en worst, en dan luisterde hij naar het gegons van de stemmen, naar de ruzies en het gelach, en zag hij hoe honderden handen zich naar andere uitstrekten, en don Julian bestudeerde heel dat menselijke conflict met zijn door hoger sferen omwolkte schedel en grote ogen van verbazing, precies zoals de grote Ortega adviseerde in enkele grondregels die in zijn geheugen gebrand stonden (‘Zich verbazen, zich verwonderen, is beginnen te begrijpen: het is de sport en de luxe van de intellectueel.’ ‘De wereld bekijken met grote ogen van verbazing.’ ‘Iedereen is vreemd en prachtig voor een paar wijd geopende pupillen.’), maar zonder dat de vonk van de scherpzinnigheid zich verwaardigde op hem over te springen. Geen enkele gedachte, geen enkel woord, zelfs geen waarachtig en passend motief voor zijn verbazing. Niets. Maakte hij misschien deel uit van de massa, en niet van de elite, zoals hij als vanzelfsprekend had aangenomen? Na een poosje, uitgeput door de inspanning van de verwondering en de twijfel, wendde hij zijn nu stuurloze blik naar boven en bleef kijken naar de hoge daken, met zolders en dakraampjes, die daarboven een aquarium vormden met zonnebloemen waar zwaluwen doorheenvlogen, en toen hij dat in zich wilde opnemen had zijn bewustzijn zich al gevuld met Oosterse beelden, met krakende schepen en trompetterende olifanten. Dan ontwaakte hij uit zijn dromerijen, zuchtte en zei: ‘Hier valt niets vreemds of wonderlijks te observeren,’ en vervolgde zijn weg. Vaak, dat was zijn vaste traject, nam hij de Calle Real die het dorp doorkruiste vanaf de stierenvechtersarena tot de benzinepomp, waarbij hij alles bekeek zonder erin te slagen zich ook maar ergens over te verbazen. Hooguit signaleerde hij dingen en benoemde hij wat hij zag: ‘Zieken,’ merkte hij op tijdens het passeren van een ziekenwagen, een woord dat hem op het algemene idee van pijn bracht. ‘Handwerkslieden en klerken,’ als hij kantoren en werkplaatsen zag, en hij voegde eraan toe: ‘Industrie, bureaucratie.’ ‘Geloof, orthodoxie,’ leidde hij af ten overstaan van een kerk. ‘Ledigheid en luiheid,’ wanneer hij een groepje nietsdoende mannen passeerde. ‘Geschiedenis en tijd,’ bij het horen slaan van de torenklok, en van tijd tot tijd inventariseerde hij zijn vondsten: pijn, industrie, geloof, ledigheid, tijd, en die oogst van abstracte termen leek hem helemaal nog niet zo slecht, en hij had er zelfs plezier in ze te combineren om suggestieve en raadselachtige termen te vormen als ‘de bureaucratie van de tijd’ of ‘de pijn van de geschiedenis’. En hij zette zijn weg voort en keek om zich heen alsof hij sporen wilde ontdekken van het scenario van een misdaad, waarbij hij langzaam en nadenkend over zijn kin streek of zijn handen op zijn rug verstrengelde en met de bezadigde ernst van een hoogwaardigheidsbekleder voortschreed, tot er een gedachte aan de controle van de wil ontsnapte en achter de een of andere kinderlijke of onbenullige fantasie aan begon te huppelen. Dan versnelde ook hij zijn pas, alsof hij inderdaad haast maakte om een of andere kwestie te gaan regelen, met zwaaiende armen en gespannen gezicht, steeds sneller lopend, tot hij opeens stilstond zonder te weten waar hij was of hoe hij op die plek beland was. ‘Naar de hel met Ortega en die filosofie van hem! Verdomme!’ riep hij vervolgens uit, geïrriteerd door zijn onbenulligheid en het tijdperk waarin hij leefde, en hij zwaaide dreigend met zijn vuist naar de kinderen in de verte. ‘Ruggegraatloze wormen!’ beet hij hun toe, want dat was zijn favoriete scheldwoord. Maar even later kalmeerde hij en zette koers naar de Plaza de España, waar hij zich opstelde bij het standbeeld van de Veroveraar, bereid opnieuw een aanleiding tot verbazing in dat duizenden malen onderzochte stedelijke landschap te ontdekken, en daar bleef hij lange tijd op de loer staan, tot een uur of één, twee, met nietsontgaande blik en gespannen geest, zonder erin te slagen ook maar één intellectuele vangst te doen, maar onversaagd hopend dat het noodlot eens zijn onderzoekingen dubbel en dwars zou compenseren. Maar het haalde allemaal niets uit. Hij bestudeerde degenen die op de bus stonden te wachten, hij bekeek ons, die verderop met onze voeten tegen de stenen bank zwaaiden, de kinderen die speelden in het muziekpaviljoen, de nieuwsgierigen die naderbij kwamen om de aanplakbiljetten van bioscoop Celux te bekijken, de verkopers van lupinezaden en gedroogde kastanjes, de drinkers die zonder haast op wie-weet-wat stonden te wachten, de verliefde paartjes, de mensen die kwamen en gingen, maar hij ontdekte in dat hele dagelijkse gebeuren niets bijzonders en absoluut niets wonderlijks. Waar was die zo veelbesproken opstand der horden, waar waren de minderheden, en waar ontsprongen de geheime bronnen van het bestaan en de geschiedenis? Of leefde hij toevallig in kleurloze tijden? ‘Tja,’ ‘Het is wat,’ ‘Toe maar,’ zei hij verbitterd, tot hij ten slotte, doodmoe van al dat vergeefse wachten, zijn observatiepost verliet, zijn waardigheid en kleding herstelde, mompelde: ‘Niets, ook hier is geen stof tot nadenken!’ en zijn weg vervolgde. Als hij het casino binnenging en de kaart- of dominospelers bestudeerde, was zijn geest slechts in staat de onmacht van hun speculatieve en gespannen blikken als een spiegel te reflecteren. Als hij een kijkje in het postkantoor nam was het precies eender. En het was niet anders wanneer hij bij het benzinestation arriveerde, waar hij zijn filosofische wandeling beëindigde. Daar zag hij twee benzinepompen en een man die op een stoel in de schaarse schaduw van het tankhuisje zat te doezelen. Die man zat de hele dag met een prikker of met zijn vingernagel in zijn oren, zijn neus, zijn mond, tussen zijn tenen, in zijn kruis of in zijn haren te priemen. Van de excreties van zijn eigen lichaam maakte hij in een papieren zakje naast zich een klompje. Als hij tussen de middag of ’s avonds werd afgelost stond hij op, stak het papieren zakje in zijn zak en slenterde naar huis. En om de zoveel dagen observeerde Julio dat alles, en met dat laatste en weinig vruchtbare beeld in gedachten keerde ook hij naar huis terug en liet zich uitgeput in zijn oorfauteuil vallen. ‘In dit dorp gebeurt nooit iets,’ zei hij bitter tegen Antonia en vervolgens, zijn toevlucht nemend tot sarcasme, riep hij uit: ‘De sport en de luxe van de intellectueel! Alles in de wereld is wonderlijk en prachtig! Tjonge! Nee maar! Tsss...! Poeh...! Prrr...!’ en hij begon te snuiven en te vloeken en heen en weer te lopen. Als de papegaai hem hoorde krijste deze: ‘De opstand der horden! Het thema van onze tijd! Het ruggegraatloze Spanje!’ en zo nog een stuk of tien uitroepen die hij van buiten kende, en die Julio’s trots als tien dartpijltjes troffen, uitgeput als hij zich voelde door al die vergeefse verbazing en nooit aflatende onbenulligheid. Maar even later sprong de kat op zijn schoot en dan sloot hij glimlachend en gelukzalig zijn ogen, streelde het dier over zijn rug en begon eveneens te snorren, terwijl het lawaai van potten en pannen hem bereikte en Alexander de Grote aan de horizon van zijn herinnering verscheen, in fonkelende wapenuitrusting, en elke keer als Antonia in de keuken liep te mopperen hoorde hij het uitbundige hinniken van Bukephalos, en de straat bezorgde hem de murmelende geluiden van de branding van de Hellespont. Dit hele verhaal vertelde hij ons op zijn manier nog een keer op die oktobermiddag in 1977, toen we op de aankomst van Belmiro Ventura zaten te wachten. Na de siësta had hij zich op zijn kantoortje teruggetrokken om snel een lovend welkomstwoord op te stellen, en tegen zevenen zagen we hem tussen de sinaasappelbomen tevoorschijn komen, zijn duimen achter de armsgaten van zijn vest gehaakt en zijn vingers triomfantelijk trommelend. Precies op dat moment hoorden we op de weg in plaats van het geluid van een auto het kabaal van het rijdende vehikel van Esteban, die zoals altijd de melk kwam rondbrengen. Daarop hielden onze voeten op met bewegen en het was alsof de betovering van een dag vol onvervulde beloften was verbroken.


Naar de MKW-beginpagina