Miquel de Palol: Igur Nebli

Uit het Catalaans vertaald door Frans Oosterholt


1

‘Aan mijn schild, de blauwe chrysalide Sari Milana,’ riep de Kamprechter op ritueel stijgende toon, met een wijzend gebaar dat tegelijkertijd de toeschouwers tot stilte noodde. ’En aan mijn lans, de gele chrysalide Igur Nebli!’
De twee jongemannen, getooid met halve maskers in de kleuren die hun waren toegevallen, de gele ovaalvormig en de blauwe in een omgekeerde driehoek, zoals het de loting had beschikt, volbrachten de rituele begroetingen en stelden zich op in de hun toegewezen richting. De brandheldere namiddag van de laatste dagen van januari zette het verhoogde platform in ijs en de laagstaande zon, rechts van de Kamprechter, verblindde het evenwijdige blikveld van met name de gele combattant.
‘Het leven kent vandaag een enkelvoudige determinant,’ vervolgde de Rechter. ‘Slechts één assaut, en het offensief is aan de blauwe chrysalide.’
Igur Nebli concentreerde zich op de half verscholen ogen van zijn rivaal en op zijn eigen ademhaling. Hij richtte zijn blik op het Westen en liet zijn gedachten gaan over de aquariaanse tegenstreving. Met de wapens van de traditionele verliezer, die van de kreeft, diende hij de uitrusting te bevechten die volgens dezelfde conventie de winnaar in het zadel hielp. Het besef dat Sari al het voordeel genoot, dat van de wapens en van de richting, bracht een vreemd soort zekerheid in hem teweeg, die niet zozeer de geruststellende gedachte betrof dat hij een eventuele nederlaag aan de tegenstreving van het lot kon wijten, alswel, wellicht omdat hij zich niet genoodzaakt zag te zegevieren uit hoofde van het dragen van de wapens der overwinning, het kalme vertrouwen dat hij de zege van de Tweekamp op zak had.
‘Moge geschieden wat zal geschieden,’ sprak de Rechter.
Igur en Sari namen de gevechtshouding aan; Sari met de drietand en het net, Igur met het ronde schild en het zwaard. Meteen deed Igur het wezen van zijn houding, die de rust van de aarde vooronderstelde, geweld aan in een poging tot verbanning van zijn opponent, die als vertegenwoordiger van het water voor alles de stabiliteit van zijn positie nodig had ter handhaving van de cohesie, en die uiteraard zijn best deed om zich niet te verroeren. Sari was langer en vleziger dan Igur en zijn fortuin lag, gezien het gewicht van zijn wapentuig en het gunstige licht, in de betrachting van geduld. Igur lanceerde de eerste manoeuvres, die Sari, aan wie het offensief was, niet in beweging brachten. Ai, de jaren van dressuur; ai, het werd wel een keer tijd! Wacht je voor ijdelheid! Wacht je voor ontijdig beraad!
Sari slingerde zijn zwarte net, dat als een monsterlijke vogel boven Igur zweefde. De gele maskeerde de sprong naar zijn schild en wierp zich op zijn zwaard; het net striemde links van hem met groot geweld de straalsgewijs ingelegde parketvloer, en hij veerde naar achteren precies op het moment dat de houten drietand met een harde dreun neerkwam op de plek waar een kwart seconde eerder zijn lichaam zich had bevonden.
‘Einde,’ riepen de toeschouwers eenstemmig, overeind gestuwd door één en dezelfde aandrift.
Igur stond nu ingesloten in de Noordoosthoek van het platform en de zon scheen pal in zijn gezicht; Sari richtte zijn drietand rechtstreeks op zijn hals en de spanning overvleugelde de ademnood die er het gevolg van was. De drietand schoot als een cobra vooruit, maar Igurs schild was sneller dan de huivering van het publiek en het emblematische wapen ketste met een droge tik af naar de linkerzijde van de aanvaller. Sari was een vreselijk bedreven tegenstander, want had hij kracht in plaats van snelheid gegeven aan zijn aanval, dan had Igur gebruik kunnen maken van zijn vaart om hem uit evenwicht te brengen en hem in de flank te overmeesteren, en nu moest hij het bij een zijsprong laten om de draaikolk van het net onder hem te ontwijken.
‘Helix en kruis!’ krijste het publiek, waarmee ze een bijzonder spectaculaire aanvals- en verdedigingsfiguur bedoelden.
Als resultaat van de laatste manoeuvre bevond Igur zich in de Zuidwesthoek, met het voordeel, afgezien van de richting, dat Sari nu aan de Oostzijde stond en niet in het centrum, en op het moment dat hij dit met een zijwaartse sprong wilde heroveren, verplaatste Igur zich parallelsgewijs en stonden ze tegenover elkaar aan de Zuidzijde. Aangezien de blauwe het offensief dat hem toekwam had verspeeld, mocht Igur aanvallen en hij lanceerde een degenstoot recht naar beneden, die Sari met een terugtrekkende beweging ontweek; men kon horen hoe het zwaard de lucht kliefde met een fluittoon als van een slang; Igur maakte twee zwenkingen en een volle draai naar achteren, waarmee hij Sari naar het centrum van de Noordzijde lokte, en vandaaruit, in een opnieuw terugtrekkende driekwart draai, naar de Noordoosthoek. Igur had het initiatief, maar een ingesloten aquariaan is het meest geduchte wapen en er viel een gespannen stilte onder de toeschouwers; Sari haalde uit met zijn tot een zweep gedraaide net en Igur week uit naar de Westzijde, waarop de blauwe met de drietand in de aanslag een stormloop ondernam, die Igur pareerde met zijn degen; maar het andere wapen vermocht meer, waardoor Igur zich moest terugtrekken naar de Zuidoosthoek, totdat de stuwkracht van zijn tegenstander hem noodzaakte, teneinde niet in aanraking te komen met het uiterst fijne zijdelint dat het gevechtsveld omlijnde, tot een driekwart wenteling, waardoor Sari opnieuw in de hoek gedwongen werd; maar deze keer had de draaiing Igur op het verkeerde been gezet en daar had de blauwe het op aangelegd.
‘Einde!’ schreeuwde opnieuw het publiek.
De blauwe zweepte met zijn net naar de benen van de gele, die met een reusachtige sprong zijn voeten ter hoogte van het hoofd van zijn aanvaller bracht; toen het net na een cirkel te hebben beschreven een tweede keer langskwam, hield Sari het op halve hoogte en Igur dook deze keer als een bliksemschicht zo snel naar beneden, waarbij hij tegelijkertijd een stap terugdeed in de richting van het centrum van de vierhoek. De derde ronde van het net kwam al niet meer bij verrassing, en hij nam precies genoeg afstand om het uiteinde van de streng met zijn schild op te vangen en het verdedigingswapen, en ook niet meer dan dat, er in te wikkelen, en de twee opponenten stonden aan elkander vastgeklonken; ze bevonden zich nu halverwege de ‘helix en kruis’-figuur, in principe in het voordeel van de aquariaan, die, de verdediging eenmaal tenietgedaan, zijn uitnemende wapen voorheeft op de kreeft; Sari maakte er gebruik van door Igur met zijn drietand te lijf te gaan, maar de zon in zijn ogen voorzag Igurs drift van de benodigde abstractie en, ongehinderd door publiek noch overdenking, plaatste hij zijn korte zwaard tussen twee tanden en gebruikte hij de impuls van zijn tegenstander door zich op zijn rug te laten vallen en, terwijl hij zijn voeten op het zwaartepunt van zijn lichaam plantte, maakte hij een achterwaartse koprol en slingerde Sari van zich af; Sari was evenwel bijzonder lenig, en toen hij zag dat de verdediging niet te vermijden viel, wendde hij de stoot die hem werd toegediend in zijn voordeel aan door met beide benen op de grond te landen; Igur was doorgerold tot ook hij de verticale stand hervonden had, maar aangezien de manoeuvre hen met de ruggen naar elkaar toe had geplaatst, kwam het nu aan op kracht, precisie, behendigheid en evenwicht, en hier benutte de gele een tiende van een seconde: terwijl hij nog bezig was zich op te richten, was hij op het laatste moment reeds begonnen naar links te draaien; de wapens waren losgetornd, het schild en het net daarentegen niet, en de kluwen die zich als gevolg van de buitelingen van de krijgers had gevormd, verhoogde de spanning die erop stond en, terwijl Sari nog bezig was zijn voeten na de val tot stilstand te brengen, beukte Igur, die met beide benen stevig op de grond stond, keihard met zijn linkerelleboog tegen Sari’s schouder aan dezelfde kant; uit balans gebracht, zag hij zich genoodzaakt naar rechts te draaien, terwijl Igur naar links draaide; de partijen stonden lijf aan lijf tegenover elkaar, maar Sari was in de halve draai verstrikt geraakt in zijn net en zijn beide handen zaten ingesnoerd; Igur gaf hem een rechtstreekse stoot waarbij hij tegelijkertijd het schild losliet, en de blauwe viel op zijn rug zonder dat hij de stoot zelfs maar wist te stoppen. Snel als de bliksem, zette de gele een knie op zijn borst en op zijn keel het houten zwaard.
‘De gele Chrysalide Ridder van het Voorportaal,’ riepen de overeind gekomen leerlingen, acolieten en aspiranten die het publiek vormden. Het assaut had twee minuten en tien seconden geduurd.
De Rechter richtte zich op en bracht zijn handen bij elkaar met de palmen naar voren; daarna liet hij de rechter vallen en wees hij door de linker naar boven te keren de winnaar aan, die ogenblikkelijk zijn wapen terugtrok uit de emblematische positie en zijn tegenstander hielp op te staan en zich te ontdoen van de tuigage die hem gevangen hield. Het paviljoen van Cruianya, de plaats waar hij bijna zijn hele leven had doorgebracht, scheen hem mooier toe dan ooit, maar ook van alle venijn ontdaan. De krijgers groetten elkaar volgens het ritueel, en ze zetten de halve maskers af. Igur Nebli boog voor de Rechter.
‘Gele Chrysalide Igur Nebli,’ zei de oude man,’ je hebt je Geding van de Intrede gewonnen. De dag na overmorgen zul je je bij je Magisterprædi vervoegen, die je je titel zal overhandigen en je bestemming kenbaar zal maken.’ Hij keek hem aan zonder ook maar een glimp van emotie te tonen. ‘Je mag je terugtrekken.’
Igur en Sari, vrienden en studiekameraden, verlieten samen het podium. Het trapje aan de Zuidzijde bood ruimte aan slechts één persoon; de inhuldiging had zich weliswaar nog niet voltrokken, maar dat nam niet weg dat de ene toch al Ridder van het Voorportaal was, en Sari, die voor het volgende jaar een tweede kans tegemoet kon zien, liet hem voorgaan. Het zou als een belediging worden opgevat als Igur af zou zien van zijn privilege, en met een onbehaaglijk gevoel dat hij niet wist te verklaren, maakte hij er gebruik van. Toen hij zich terugtrok naar zijn vertrekken bedacht hij hoe vaak hij zich dat moment niet had voorgesteld, hoe hij had voorzien dat hij, er volkomen van doordrongen dat het de laatste keer was, de hoogvlakten van Cruianya, de uitgestrekte gezichtseinders en de ontzagwekkende strakke hemelen, waarin alles veraf en tegelijk nietig leek, in zijn geheugen zou griffen, in een uur zo zwanger van betekenis; maar de weg viel hem kort, en reeds had hij het eind bereikt, verstoken van de onthechte aanschouwing van zijn geestesoog. Zijn herinnering zou slechts een verlangen bergen, want het leven ging sneller dan de overdenking.

Het droombeeld van de werkelijkheid opgehaald vanuit de nevelen van de mythe, anticipatie in de voege van verlangen, kwam één en andermaal bovendrijven in de slapeloze ouvertures van Igurs nachten, afgetekend tegen de zielsverkwikkende duizeling van de oorsprong van een verzinsel: Dit is het verhaal van de Ridder van de Kapel Igur Nebli in de Atlassen van het Keizerrijk van de Laatste Revolutie geheten de Glorie van het Labyrint, Igur de Kretenzer in de Scholiën van het Dogma van Habeb, vereerde Demogorgon Yjoup Nielh in de Stichtelijke Codices van de Bucolische Manen van Anatolië, de Ridder van de Tweevoudige Aks, Ghooyri Nyephli in de Apocriefen van het Labyrint, Eygor Ennehi, ten slotte, in de Kronieken van de Trojaanse Planeten, Hij Die niet slaapt, Hij Die niet voor zichzelf staat.

Drie dagen nadat hij de Wedkamp van de Intrede had gewonnen, meldde Igur Nebli zich op het aangegeven tijdstip op het kantoor van de Magisterprædi van Cruianya Jan Omolpus, en vooruitlopend op de inhuldigingsceremonie werd hij in privé-audiëntie ontvangen. Dit maakte deel uit van het voorgeschreven bezoek aan zijn meerdere, maar ook als dat niet het geval zou zijn geweest, betrof het een nummer waartoe de erkentelijkheid aan de oude meester hem verplichtte.
‘Twee minuten en tien seconden,’ sprak de dignitaris met toonloze stem; een man van onbepaalde leeftijd, maar oud genoeg om de vader van Igur te kunnen zijn.
‘Ik had niet het offensief.’
De Magisterprædi maakte een ongeduldig gebaar.
‘Je riskeerde het om de drie minuten vol te maken zonder de acht af te sluiten.’
‘Ik mocht de richting niet breken; diskwalificatie betekent het volgende jaar verliezen, dat heeft u me altijd voorgehouden.’
Ze keken elkaar kalm in de ogen. Ook dat was een verloren moment.
‘Ik blijf van mening dat het goed voor je zou zijn als je eerst een tijdje naar Eraji of Alena ging.’
‘Ik sta zoals altijd tot uw beschikking,’ zei Igur op zijn meest vlakke toon, en hij vestigde zijn ogen op een onstoffelijk punt pal voor het gelaat van de dignitaris. Zo lieten ze enige ogenblikken voorbijgaan; het was net als bij het adem inhouden, steeds moeilijker voor allebei, maar naarmate de tijd verstreek was de sterkste in het voordeel. En de sterkste was de jongste.
‘Goed dan,’ zei de Magisterprædi, ‘het is een voorrecht van de Ridder zijn bestemming te kiezen. Zoals je ziet heb ik er geen moment aan getwijfeld: ik heb je toegewezen aan de Secretaris van Kanselier Noldera, die reeds in kennis is gesteld van je komst; hier heb je een brief voor hem.’
Igur nam deze met een buiging in ontvangst, en onderdrukte de opwelling om de naam te lezen.
‘Ik zal mijn best doen om mijn bakermat tot eer te strekken.’
‘Ik hoef je er niet aan te herinneren dat Gorhgro Cruianya niet is, en dat je van nu af aan tegenstanders zult treffen die je zelfs met een gelukkige loting niet zo snel verslaat als Sari Milana; als ik het wel heb, ben je nu eenentwintig... Als je niet de fout ingaat, kun je binnen een jaar Ridder van de Kamer worden, en op je vierentwintigste kun je Ridder van het Voorspel zijn; van hier tot Ridder van de Kapel is alleen nog maar een kwestie van geluk en politiek...’
‘Kwestie van geluk en politiek, zoals u het treffend onder woorden heeft gebracht; maar als we geluk en politiek aanvullen met toewijding en wilskracht, hoop ik Ridder van de Kapel te worden zonder te verwijlen in de tussenliggende waardigheden, en wel binnen een jaar.’
De Magisterprædi lachte voor het eerst gedurende het onderhoud, deels om zich de moeite te besparen zijn discipel vanwege zijn aanmatiging te berispen; hij had niet alleen alle tussenliggende waardigheden moeten bekleden, maar ook had hij meegemaakt dat de besten tot vier maal toe een Wedkamp in het Geding van Intrede verloren alvorens toe te treden tot de Kapel, de hoogste graad van de Ridders.
‘Het is niet goed om overal in te berusten,’ zei hij nostalgisch, ‘maar door alles te snel te willen roept men onverhoopte rampspoed over zich af.’
‘Ik zou u nog iets willen vragen,’ zei Igur, en de dignitaris trok zijn wenkbrauwen op; ‘ik zou graag van mijn roeping af willen,’ Igur zag zich genoodzaakt tot een nadere verklaring, ‘ik ben nooit erg gehecht geweest aan de Kreeft: het lijkendepot, de twee ezels die uit de kribbe staan te eten... het kuras, de terugstoot... het blijft toch eigenlijk een embleem van de overgang, een keerkring op zijn retour.’
‘Je hebt het recht de verdediging van je opponent over te nemen, als je dat wilt, de reglementen staan het toe; maar een Ridder van het Voorportaal kan niet van zinnebeeldige plicht veranderen.’
‘Dat weet ik, maar ik wil niet aan de verdediging vastzitten, en u bent de enige die me ervan kan ontslaan.’
Omolpus nam de jongeman tegenover hem aandachtig op, en hem overviel de gedachte dat hij er niet bepaald imposant genoeg uitzag om louter op basis van zijn voorkomen zomaar alles voor elkaar te krijgen: niet erg lang, aan de magere kant, gezegend met een lenigheid en een kracht die zich eerder lieten raden dan dat ze duidelijk aan de dag traden, en hoewel hij een aantrekkelijk gezicht had, keek hij te melancholisch uit zijn ogen om in de salons evenzeer te triomferen als op het Strijdperk of in bed, en hij zou iedere kans die zich voordeed om zich waar te maken met beide handen moeten zien aan te grijpen.
‘Van het geel kan ik je niet ontslaan, maar wel van de bijbehorende verplichtingen, als je daar op staat. Je zult een open gele zijn, dat houdt in dat jouw geel onafhankelijk van de Kreeft zal zijn en dat je alleen in je volgende Canonieke Wedkamp aan het embleem gehouden bent,’ het gezicht van Igur klaarde op, en de Magisterprædi hief een arm op; ‘maar denk eraan dat je vanaf nu, en voor altijd, een gele zult zijn met een zwarte rand en zwarte einders.’
Ze verlieten het kantoor en liepen naar de ceremoniezaal, eerst hij en daarna de Magisterprædi, zoals de tradities het voorschrijven, en aan allebei gingen zes stafdragers vooraf. Igur had genoeg tijd om de naam en het adres te lezen van het document dat zijn meester hem had overhandigd: Peer Ifact, Secretaris van het Kabinet van de Kanselarij van Eerste Levensbehoeften. Aangekomen in de zaal, begaf Igur zich naar de plek die hem was toegedacht, waarbij men rekening had gehouden met de vormeisen van richting en afstand ten aanzien van zijn embleem, zijn kleur en het jaargetijde, en de Magisterprædi fluisterde de assistenten de nodige aanwijzingen toe aangaande het schild en de kleur die hij met de nieuwe Ridder van het Voorportaal was overeengekomen. Vervolgens hield de Magisterprædi, zonder dat er gedurende de voorafgaande handelingen sprake was geweest van enige inmenging van de kant van de aanwezigen, medeleerlingen en vrienden van Igur, noch van het presidium, dat werd bekleed door afgevaardigden van de Gouverneur van de provincie Cruianya en van de Major van de stad, een korte gelegenheidstoespraak.
‘We nemen vandaag afscheid van Igur Nebli, onze beminde zoon, die eenieder heeft overtroffen in geslepen behoedzaamheid, fortuinlijke scherpzinnigheid en barmhartige weging van desiderata, en we zenden hem als Ridder van het Voorportaal uit ten dienste van de Kanselarij van Gorhgro die ons daartoe bezielt. Bij ons heeft Igur zich bekwaamd in geschiedkunde, disciplines van het lichaam en bestiering van de geest; moge dit alles ertoe dienen dat ze je in Gorhgro wegwijs maken in economie, politiek en geometrie, om aldus de obliquiteit van je innerlijke leven waarlijk te vervolmaken; want het licht dient door een zeef te vallen en van opzij om ons het wezen van de dingen te ontsluieren; het is de evenredige vereniging van licht en duister die ons doet zien en begrijpen, en een gebrek aan evenwicht veroorlooft zekere marges. Maar, en dat weet je maar al te goed, zoals een te zwak licht ons het zicht beneemt op de details of een fijnigheid, zo sorteert een overdaad aan licht, zij het in tegenovergestelde zin, hetzelfde effect ten aanzien van het contrast waaruit alle kennis geput dient te worden. Doorgetrokken tot het uiterste, staat absolute verlichting gelijk aan duisternis.’
Hier pauzeerde Omolpus even. Aangezien het feest te zijner ere werd gevierd, pareerde Igur de minachting die dit soort toespraken doorgaans bij hem opwekte; hoewel het hem niet gegeven was om ooit de kloof te overbruggen, wist hij tenminste de verontwaardiging die hij zou hebben gevoeld ware de spreker ieder ander geweest, te vermijden. De Magisterprædi ging over tot het ritueel van de benoeming.
‘Igur Nebli,’ sprak hij toen hij het zegel, dat de assistenten zojuist volgens zijn aanwijzingen hadden vervaardigd, in zijn handen nam, ‘van nu af aan ben je Ridder van het Voorportaal onder de voorlopige wijding in Kreeft, die zal worden gewijzigd in de roeping die je bij je volgende Canonieke Wedkamp ten deel zal vallen, en bij deze verleen ik je het onherroepelijke geel met zwarte rand en zwarte einder.’
Na afloop van de ceremonie vond er een viering plaats in aanwezigheid van zijn vrienden en medeleerlingen, en allen wilden het zegel van de nieuwe Ridder bekijken (aanraken was immers niet toegestaan), geëvolueerd uit de antieke Oybirische tessera, in het geval van Igur een rechthoek van 5 bij 8,09 centimeter, stralend zuiver geel, met een zwarte rand en in het midden, van boven naar beneden, de eveneens zwarte afbeelding van een dubbele aks.
De volgende dag trof Igur Nebli de nodige voorbereidingen voor de reis, en de dag erop vertrok hij naar Gorhgro, de hoofdstad van het Keizerrijk.


Naar de MKW-beginpagina