|
Recensie in NRC Handelsblad
van 30 mei 2003 Spanje krijgt een schop 'De Spaanse Balzac' wordt
Benito Pérez Galdós (1843-1920) genoemd, al was hij eerder een tijdgenoot van
Flaubert. Liefst zevenenzestig romans schreef Galdós, en ruim twintig
toneelstukken. Nog altijd is hij een van de meest gelezen auteurs uit de
Spaanse literatuur. Het duurde echter tot 1974 voor zijn roman Tristana in
het Nederlands verscheen, vijf jaar later gevolgd door Miau. Pas met het
groots opgezette project van uitgeverij Menken Kasander & Wigman dat
uiteindelijk zeven titels moet omvatten, kreeg Pérez Galdós in Nederland de erkenning
die hem toekomt. De uitgave van zijn magnum opus Fortunata en Jacinta (besproken
in Boeken, 22.09.00) vormde daarin het hoogtepunt. Nu is er de hervertaling van Miau
door Adri Boon, onder de correcte Nederlandse titel Miauw. Sociale
en politieke kritiek was de drijvende kracht achter de productiviteit van Pérez
Galdós. Spanje, na een korte 'Glorieuze omwenteling' van liberale snit opnieuw
weggezonken in reactionaire indolentie, moest de toekomst worden ingeschopt.
Bigotterie, uitvreterschap en kale standen pretentie dienden plaats te maken
voor de levenskracht die het volk wel degelijk in zich droeg. Om het land
daaraan te herinneren, schreef Pérez Galdós een ruim veertigdelige romanreeks van
'nationale episoden' waarin hij duidelijk maakte hoe Spanje in zijn trieste
toestand terecht was gekomen. Daarop volgde de reeks 'contemporaine romans'
waarin vooral de bourgeoisie het moest ontgelden als de kleverige prop
pretentie die de doorstroming van het nationale potentieel (de lagere klassen
en hun levenskracht) verstopte. De familie van de werkloze
ambtenaar Villaamil is daarvan in Miauw het schoolvoorbeeld. Hij loopt
de ministeries af om werk te krijgen, al is het maar voor de twee maanden die
hij nodig heeft om een staatspensioen te kunnen krijgen. Zij ('dońa Pura')
doft zich iedere avond met kunst en vliegwerk op in japonnen die slechts
ogenschijnlijk nieuw zijn, om samen met zuster en dochter te verschijnen in het
opera publiek, waar zij vanwege hun poezengezichtjes als 'de Miauws' bekend
staan. De rol- en karakterverdeling is vrijwel gelijk aan die uit de eerder
vertaalde roman Mevrouw Bringas, al wordt de echtgenoot van de laatste
pas aan het eind van het boek ontslagen. Maar ook zij lijdt aan valse chic en
ook hij is een staatsdienaar, want het Madrid van Pérez Galdós is een stad van
ambtenaren en kale neten. Toch steekt
Miauw boven
veel van de andere 'contemporaine romans' uit. Niet door het venijn waarmee dońa Pura beschreven wordt, maar door het ingehouden meededogen waarmee Pérez
Galdós de tragikomische Villaamil portretteert. Hij is een ambtenaar in hart en
nieren. 'Leve de sluitende begrotingen!', is zijn lijfspreuk. Maar wanneer hij
die, dolgeworden, op zijn dagelijkse bezoeken aan de ministeries luid door de
kantoren begint te schreeuwen, wordt hem de toegang ontzegd. Het is de ultieme
vernedering van een man die zich, als slachtoffer van een ondoorgrondelijk
personeelsbeleid, zelfs door zijn louche schoonzoon voorbijgestreefd ziet. Met Villaamils zelfmoord in
het laatste hoofdstuk maakt Pérez Galdós zich los van de satire. De
onverbeterlijke leeghoofdigheid van dofia Pura steekt daartegen even wrang af
als de met verkneukeling beschreven dorknoper-muizenissen van Villaamils
voormalige collega's. Dat contrast maakt Miauw - net als de vorige delen
van de reeks door Adri Boon geďnspireerd vertaald - tot een van Pérez Galdós'
meest beklijvende romans.
|