|
Nawoord bij Miauw van Benito Pérez Galdós Door Adri Boon ‘Waar de mens ook heengaat, hij draagt altijd de roman van zijn leven bij
zich’ laat Galdós de verteller zeggen in Fortunata
en Jacinta, zijn magnum opus dat in 1887 werd gepubliceerd. De uitspraak is
geldig voor mensen van vlees en bloed maar in niet mindere mate voor personages
van drukinkt, moet de schrijver hebben gedacht. En zo kreeg de brodeloze
ex-ambtenaar Ramón Villaamil, een van de tientallen bijfiguren in de bonte
stoet mensen die Fortunata en Jacinta
bevolkt en slechts een schim die uitgemergeld als een mummie heel even opduikt
in een Madrileens café waar hij zijn ellendige lot beklaagt, de roman van zijn
leven. Miauw is geschreven (en uitgegeven) in 1888 maar speelt in 1878.
Spanje heeft dan net een roerige periode achter de rug. In 1868 maakt de
Glorieuze Revolutie een einde aan het koningschap en het wanbeleid van Isabel
II. In 1870 bestijgt een Italiaanse prins de Spaanse troon, maar hij slaagt er
niet in orde op zaken te stellen, en in 1873 wordt de Republiek uitgeroepen.
Ook dat politieke experiment loopt op een jammerlijke mislukking uit. In 1874
wordt Alfons, zoon van Isabel II en met zijn jeugdig elan de hoop van de natie,
uit zijn Engelse ballingsoord teruggehaald en tot koning gekroond. Daarmee is
de zogenaamde ‘restauratie’ een feit. Om de financiën van de failliete Staat te
saneren wordt flink het mes gezet in de door al die machtswisselingen
buitensporig gegroeide bureaucratie (elke nieuw regime dat in het zadel kwam
bracht weer een benoemingsronde van eigen mensen met zich mee). Een van de
slachtoffers van die ontslaggolf is don Ramón Villaamil. En de dubbele ironie
wil nu dat don Ramón, die na bijna
vijfendertig jaar voor de overheid te hebben gewerkt op de drempel van zijn
welverdiende pensionering staat, nog maar twee maanden actieve dienst nodig
heeft om te kunnen genieten van een onbezorgde oude dag; én dat de Staat zich
ontdoet van een betrokken, integere, ijverige en intelligente ambtenaar in
plaats van een van de talloze non-valeurs die zitten te duimendraaien op de
burelen – áls ze al op hun werk verschijnen. Villaamil belichaamt het verstand
en de redelijkheid die de boventoon zouden moeten voeren bij het openbaar
bestuur. Hij pleit voor sluitende begrotingen, heeft op eigen initiatief een
blauwdruk gemaakt voor een ingrijpende belastinghervorming gebaseerd op het
reeds in 1799 in Engeland ingevoerde rechtvaardige systeem van de income tax; en hij heeft zijn ideeën
regelmatig ter beoordeling voorgelegd aan de minister. In politiek opzicht is
hij gematigd, voorstander van scheiding tussen Kerk en Staat (maar niet
anti-klerikaal), van een harmoniemodel waarin overheid en burgers elkaar kunnen
vertrouwen en mogen aanspreken op ieders verantwoordelijkheid. Toch eindigt hij als een Don
Quichot, als een maatschappelijke paria, niet omdat hij dingen ziet die er niet
zijn, maar juist omdat hij de enige is die de dingen precies zo ziet als ze
zijn en niet in staat is zijn handelswijze, zijn moraal, daaraan aan te passen.
Van alle personages uit het boek is don Ramón het meest begaan met het lot van
zijn land en het minst behept met de algemeen gedeelde nationale ondeugden -
onverschilligheid, egoïsme, kortzichtigheid, veinzerij - en misschien is hij
daardoor juist, paradoxaal genoeg, het minst ‘Spaans’. Galdós had een grote voorliefde
voor toneel en ook Miauw is
doortrokken van theater, die valse afspiegeling van het echte leven. Niet in
staat om de realiteit van hun benarde situatie onder ogen te zien, vluchten de
dames Miauw voor het drama van hun
leven in de opera. Maar om te figureren in die schijnwereld en om hun weinig
voorname entourage - het schellinkje! - te verblinden, houden ze ook zelf de
schijn op door een welstand voor te wenden die stoelt op vrijkaartjes, geleende
hoedjes en jurken gemaakt van drie maal gekeerde couponnetjes. Thuis bij de Villaamils wordt een
banale klucht ingestudeerd waarin een
dienstmeid - die de familie van don Ramón zich niet kan veroorloven - zich
beklaagt over haar kale madam, een toneelstuk dus waarin de banale Miauws het
‘echte’ leven spelen. De enige die
veelbetekenend genoeg geen rol in het malle stuk speelt is don Ramón. Hij is
wie hij is en heeft geen theater nodig om zijn ware rol in het leven te spelen.
Verder zijn er ook nog die merkwaardige tekstfragmenten, schuin gedrukt en
tussen haakjes, die zich onderscheiden van de ‘normale’ tekst van de verteller
en de vorm hebben van regieaanwijzingen. Alsof Galdós daarmee wil zeggen dat
het leven - want Miauw is een
realistische roman, een episode uit het contemporaire Spanje die, hoe grotesk
soms ook, zeer precies de werkelijkheid beschrijft – een grote komedie, nou ja,
tragedie, is. Villaamil is een gewezen
ambtenaar, tot voor kort werkzaam bij het ministerie van Financiën, kloppend
hart van de natie, het orgaan van de staat waar het belastinggeld van de burger
- zo zou het althans moeten zijn - op rechtvaardige en verantwoordelijke wijze
wordt geïnd, beheerd en uitgegeven ten faveure van het algemeen belang. Maar
het beeld dat Galdós van ‘Financiën’ schetst is ronduit onthutsend. Iedereen op
het ministerie is enkel en alleen bezig met het beschermen van zijn eigen
kleine persoonlijke belangetjes. De gesprekken, dikwijls met een ondertoon van
afgunst, gaan over salarissen, over promotie, over kruiwagens. Corruptie is aan
de orde van de dag. Iedereen heeft er zijn mond vol van maar niemand is er vies
van, als het maar wat oplevert: bevordering, een baantje voor een familielid,
behoud van werk en dus van loon. Uitzonderingen zijn de twee ‘onkreukbaren’,
Villaamil en Pantoja. Maar hoe groot is het verschil is tussen de twee
vrienden. Don Ramón is én onkreukbaar én heeft oog voor de belangen van zowel
de burger als de staat terwijl Pantoja’s onkreukbaarheid gepaard gaat met
onbarmhartigheid, met een blinde verabsolutering van de belangen van Financiën.
Zijn persoon is een voorafschaduwing van de starre, tot automaat verworden
apparatsjik die niet de mensen ten dienste staat maar zijn departement of de
Partij. Villaamil trekt fel van leer tegen
de Staat, die ‘hoer’, door wie hij zich - terecht - onheus behandeld voelt.
Maar dan dringt het besef tot hem door dat datgene wat hij de Staat verwijt,
hij ook zichzelf, in zijn eigen kleine republiek van de familiekring kan
verwijten. Hij, als pater familias, als hoogst verantwoordelijke van zijn
gezin, is als leider in gebreke gebleven (net zoals de regering, die
voortdurend in crisis is, niet bij machte is leiding te geven aan het land).
Hij heeft zijn vrouw (Financiën, zeg maar) niet goed ‘aangestuurd’. Van
‘sluitende begrotingen’ heeft zij nog nooit gehoord en nu zit de hele familie
(de Staat, zeg maar) in grote problemen. Villaamil heeft goede tijden gekend;
had hij thuis hetzelfde verstandige beleid gevoerd als dat welke hij voor de
minister puntsgewijs heeft uitgewerkt in vier notities om het schip van staat
in de goede koers te brengen, dan zou hem en de zijnen de bittere armoede en
het vernederende prestigeverlies bespaard zijn gebleven. Hij heeft gefaald. Dat
vreselijke besef dringt pas ten volle tot hem door als hij de kerk binnengaat -
het schouwtoneel van de geest en de ziel opgetuigd met uit Frankrijk
gesmokkelde kerkelijke prullaria - en daar Abelarda aantreft. Tijdens het
gesprek dat zich tussen de wanhopige man en radeloze vrouw ontspint begrijpt
don Ramón opeens dat zijn dochter verliefd is op haar zwager Víctor, de
sjoemelaar, de branie, de gladjanus, de hypocriet, de Don Juan, de
onheilstichter die zijn gezin ontwricht heeft, de indringer die hij niet de
deur heeft gewezen omdat hij daar te slap voor was. Als hij het godshuis
verlaat is hij een ander mens. Of liever gezegd, is hij alles wat hem tot mens
maakte kwijt: zijn eigenwaarde, zijn geloof in rechtvaardigheid, zijn
familietrots. Want misschien breekt er ook een
ander en misschien nog wel vreselijker besef door. Sinds zijn ontslag heeft don
Ramón al zijn tijd, energie en geestkracht gestoken in het opnieuw krijgen van
een baan om ervoor te zorgen dat hij verzekerd is van een volwaardig pensioen.
Maar stel nu eens dat het hem zou lukken, zou dat wezenlijk iets veranderen aan
zijn situatie? Zijn vrouw zou even spilziek blijven, zijn schoonzus even
afhankelijk, zijn dochter even sullig, hijzelf even zwak en Financiën even
inefficiënt. Dit inzicht en het onvermogen tot lotsaanvaarding is wellicht wat
don Ramón, meer dan de directe materiële nood, tot zijn wanhoopsdaad drijft. In zijn kinderlijke onschuld geeft
Luisito zijn grootvader het kleine zetje dat nodig is om hem ertoe te brengen
zijn drastische besluit ook daadwerkelijk uit te voeren. De kleinste Miauw is
de grootste komediant van de hele familie want hij beweert gesprekken te voeren
met maar liefst Onze Lieve Heer. Hij is een ijdeltuit die net als zijn wufte
vader van mooie kleren houdt en vooral betoverd wordt door het uiterlijk
vertoon van de kerk. En als toppunt van spot laat Galdós de arme Villaamil een
van de meest goddeloze daden begaan - bewuste zelfmoord - aangemoedigd door een
inblazing van God Zelf! De gelovigen moeten destijds hebben gehuiverd bij het
lezen van deze blasfemie. Het knappe van Miauw is dat op een komische, soms zelfs hilarische manier het
dieptreurige verhaal wordt verteld van de ondergang van een rechtschapen man
die niet meer met zichzelf en met zijn omgeving kan en wil leven. De beklemming
die gaandeweg op de lezer overslaat wordt versterkt door het claustrofobische
karakter: de fysieke bekrompenheid (het te kleine huis, het overbevolkte
ministerie), de kleingeestigheid van de personages en het eendimensionale van
hun sociale positie (er komen bijna uitsluitend lagere ambtenaren in het
verhaal voor).
Clarín, die andere grote negentiende-eeuwse
romancier uit Spanje en tijdgenoot van Galdós, heeft heel raak verwoord wat de
boeken van de laatste zo aangrijpend maakt:
‘Diep in de romans van Galdós schuilt misschien meer droefheid dan in die
van de grote lyrische pessimisten die wellicht zonder het te willen of te weten
hun ontgoocheling en wanhoop uitschreeuwen of dat hun personages en de Natuur
zelf laten doen. Het epische pessimisme van bijvoorbeeld een Zola ontbreekt in
de romans van Galdós; bij hem valt de droefheid niet neer als een
angstaanjagende stortbui die alles onder water zet maar als motregen die zonder
dat je de druppeltjes ziet of hoort tot diep in de botten doordringt.’ Voor deze vertaling heb ik gebruik gemaakt van de editie bezorgd door
Andrés Trapiello, Alianza Editorial, 1997. Tot slot wil ik Hans Dekkers, Paul
Menken en Gijs Mulder bedanken voor hun aandachtige lezing en belangrijke
bijdrage aan de totstandkoming van de definitieve tekst.
|