|
Benito Pérez Galdós: Miauw Uit het Spaans vertaald door Adri Boon
1 Om vier uur ’s middags kwamen de kinderen van de
openbare school aan de Plazuela del Limón met hels kabaal naar buiten gestormd.
Van de vele lofzangen op de vrijheid die in verschillende landen zijn
gecomponeerd klinkt er niet een zo mooi als het lied dat de slaven van het
lager onderwijs aanheffen wanneer ze, bevrijd van de kluisters der schooltucht,
joelend en springend ‘de straat opgaan.’ De dolle drift waarmee ze de meest
halsbrekende toeren uithalen, het lastig vallen van vreedzame voorbijgangers, hun
onbesuisde geldingsdrang, die soms uitloopt op klappen, tranen en blauwe
plekken, lijken wel een voorafspiegeling van de revolutionaire triomfen die de
mens in minder gelukkige tijden zal vieren... Nou goed, zoals ik zei, ze stoven
weg. De laatsten wilden de eersten zijn en de kleintjes gilden nog harder dan
de groten. Een van hen, een iel jochie, maakte zich uit de meute los om in zijn
eentje stilletjes naar huis te gaan. Maar zodra zijn schoolkameraden hem alleen
zagen weglopen, of wegvluchten, want daar had het meer weg van, renden ze hem
achterna en bestookten hem met allerlei flauwe grappen. Eén greep hem vast bij
zijn arm, een ander bepotelde zijn gezicht met een stel onschuldige handjes,
een staalkaart van wat er in de wereld aan smerigheid te vinden is, maar hij
wist zich los te rukken en... weg was hij. Toen begonnen een paar van de
brutaalsten, luidkeels mauwend, stenen naar hem te gooien terwijl de rest mee
krijste: ‘Miauw, miauw.’ De arme jongen die op deze manier te grazen werd
genomen, heette Luisito Cadalso. Het was een tamelijk schriel ventje,
kortademig en bleekneuzig, acht jaar, hooguit tien, en zo bleu dat hij
vriendschappelijk contact met zijn klasgenootjes vermeed, beducht als hij was
voor de lolletjes van sommigen en niet in staat ze met gelijke munt terug te
betalen. Als de anderen kattekwaad uithaalden, stond hij meestal aan de kant;
tijdens het spelen was hij altijd de sloomste en sukkeligste, en hoewel het
braafste jongetje van de klas, was hij zeker niet de begaafdste, misschien omdat
hij door zijn verlegenheid niet goed kon verwoorden wat hij wist of niet goed
kon verbloemen wat hij niet wist. Hij woonde in de Calle de Quiñones, tegenover
de vrouwengevangenis, en toen hij op weg naar huis de hoek omging en de Calle
de las Comendadoras de Santiago insloeg, kwam een van zijn klasgenootjes naast
hem lopen. Het ventje zeulde een hele vracht boeken mee, zijn lei bungelde op
zijn rug, in zijn broek zaten knieën tot op de grond, een blauwe pet bedekte
zijn kale knikker en door zijn spitse snuit leek hij op een muis. Hij werd
Silvestre Murillo genoemd, en hij was de ijverigste leerling van de school en
Cadalso’s beste vriend. Zijn vader, koster van de Montserrat-kerk, had een
rechtenstudie voor hem in gedachten, want hij had zichzelf wijsgemaakt dat de
snotneus een hele piet zou worden, misschien wel een vermaard redenaar of
-waarom niet?- minister. De toekomstige beroemdheid zei tegen zijn makker: ‘Kijk, joh, als ze mij zo zouden jennen, hè, dan zou
’k ze zo genadeloos op hun bek slaan dat ze ’t zouden uitschreeuwen. Maar ja,
jij bent een slapjanus. ’k Vind dat je mensen geen spotnamen mag geven. Weet je
wie z’n schuld ’t is? Van Woelwater, die van ’t pandjeshuis. Gister vertelde-ie
dat z’n moe had gezegd dat je oma en je tantes de Miauws worden genoemd omdat
hun gezichten d’r op lijken, dat wil zeggen, omdat ze een kattenkop hebben. Ze
zei dat ze zo worden genoemd in de engelenbak van de Koninklijke Schouwburg, en
dat ze altijd op dezelfde plaats zitten, en als ze binnenkomen zeggen alle mensen
in de zaal: “Kijk, daar heb je de Miauws”.’ Luisito Cadalso werd vuurrood. De verontwaardiging,
de schaamte en de ontsteltenis die hij voelde belemmerden hem de gekrenkte eer
van zijn familie te verdedigen. ‘Woelwater is ’n ordinair stuk vreten, een onbenul,’
ging Silvestre verder. ‘Mensen spotnamen geven dat is iets voor boerenpummels.
Z’n vader is ’n kinkel, z’n moeder is een trien, en z’n tantes zijn lastige
tantes. Arme mensen uitzuigen, daar leven ze van, en ’k zal je ’ns wat zeggen,
als iemand daar z’n cape naartoe heeft gebracht en ’m niet op tijd weer
ophaalt, dan plukken ze ’m kaal, dat wil zeggen, de cape wordt verkocht en jou
laten ze sterven van de kou. M’n moeder noemt ze de harpijen. Heb je ze wel ’ns
gezien als ze de capes op ’t balkon hangen om ze te luchten? Ze zijn zo lelijk
als de nacht, en m’n vader zegt dat ze zo’n gok van ’n neus hebben dat je d’r
een tafelpoot van zou kunnen maken en dat je dan nog hout zou overhouden ook...
Woelwater is ’n lelijke aap, altijd maar komedie spelen en dan die gekke bekken
die-ie trekt, net ’n cirkuskloon.
Natuurlijk, omdat ie zelf ’n bijnaam heeft wil ie dat anderen betaald zetten en
geeft ie er jou ook een. Bij mij durft ie dat niet, omdat ie wel weet dat ik
niet met me laat spotten, om de dooie dood niet... Maar ja, omdat jij zo’n
dooievisjesvreter bent, dat wil zeggen, omdat je geen kik geeft als ze de draak
met je steken, ja dan is ’t geen wonder dat ze je in de maling nemen.’ De kleine Cadalso bleef voor de deur van zijn huis
staan en keek zijn vriend droevig aan. De ander gaf hem een por met zijn
elleboog. ‘Ik zal je niet Miauw noemen!’ zei hij. ‘Wees maar
niet bang dat ik je Miauw noem.’ En hij stoof weg naar Montserrat. In de hal van het huis waar Cadalso woonde was een
openbaar schrijver gevestigd. In het wandje of schot, dat was beplakt met bont
marmerpapier, ging het loket van het kantoor of bureautje schuil waar aan de
lopende band onbelangrijke zaken werden afgehandeld. Welke diensten er allemaal
werden aangeboden viel te lezen op het handgeschreven bordje dat aan de
voordeur hing. Het zag eruit als een inhoudsopgave en luidde aldus: Huwelijken - Snel en voordelig geregeld. Dienstmeisjes - Aangeboden. Tafelbedienden - Leverbaar. Kokkinnen - Worden gezocht. Accordeonleraar - Aanbevolen. NB - Privékantoor voor dames beschikbaar. In gedachten verzonken liep de brave Cadalso langs
het wandje toen door het gat dat als loket dienst deed deze woorden klonken: ‘Luisín, mallerd, ik ben hier.’ De jongen keerde op zijn schreden terug en een grote,
struise vrouw stak haar armen achter het schot vandaan om hem tegen zich aan te
drukken en hem over zijn bol te aaien. ‘Jij bent ook een mooie! Voorbij lopen zonder iets
tegen me te zeggen. Hier heb ik wat lekkers voor je. Mendizábal is weggegaan om
wat dingen te regelen. Ik ben alleen en pas op de zaak voor het geval er iemand
komt. Kom je gezellig bij me zitten?’ Mevrouw Mendizábal was zo zwaarlijvig, dat wanneer
zij in het kantoortje zat het wel leek of er een koe was binnengekomen: haar
dikke achterwerk rustte op een krukje en haar volumineuze boezem nam de
resterende ruimte in beslag. Ze had zelf geen kinderen en was gek op alle
kinderen uit de buurt, in het bijzonder op Luisito, die ze vertroetelde en die
haar deernis opwekte omdat hij zo gehoorzaam en zoet was, en meer nog dan dat,
omdat bij hem thuis ‘schraalhans keukenmeester’ was zoals ze het noemde. Ze
bewaarde iedere dag iets lekkers voor hem en gaf hem dat wanneer hij uit school
kwam. Die middag was het een zoet broodje dat op de zandstrooier lag. Er zaten
een heleboel zandkorrels op het suikerlaagje, maar Cadalsito lette daar niet op
toen hij er begerig zijn tanden in zette. ‘En nu als de wiedeweerga naar boven,’ zei de vrouw
van de brievenschrijver, terwijl de jongen knarsend het broodje verorberde.
‘Vooruit, lieverd, straks krijg je nog op je kop van je oma. Als je je boekjes
naar boven hebt gebracht kom je weer naar beneden om me gezelschap te houden en
om met Canelo te spelen .’ Het jochie vloog de trappen op. De deur werd
opengedaan door een vrouw met een gezicht dat numismatici voor raadselszou
hebben gesteld; want leek het, en profil en onder een bepaald licht, op een
afgesleten munt met de kop van iemand van rond de zestig jaar, andere keren zou
een kenner, daar het effigie er zo goed geconserveerd uitzag, de afgebeelde
persoon schatten op zo’n achtenveertig, hooguit vijftig jaar. Ze had een fijn en sierlijk gelaat, van het soort dat
‘popperig’ wordt genoemd; een nog rozerode huid en asblonde haren -een tint
verkregen door pure alchemie, zo leek het wel- die, waar het de lokken rond het
voorhoofd betrof, blijk gaven van een artistiekerige gedurfdheid. Twintig,
vijfentwintig jaar voordat dit verhaal speelt, schreef een journalistje, dat de
koersberichten van meel verzorgde en kopij leverde voor roddelbladen, op de
volgende manier over de verschijning van bovengenoemde dame in de salons van
een gouverneur van een provincie derde klasse: ‘Wie is die figuur die omhuld
door wazige wolken en getooid met de gouden stralenkrans uit de veertiende-eeuwse
iconografie zo lijkt weggelopen van een schilderij van fra Angelico?’ De wazige
wolken waren het japonnetje van gaas dat mevrouw Villaamil in die dagen in
Madrid had besteld en de gulden nimbus, de duivel hale me als dat niet het
gedurfde kapsel was, dat destijds nog hoogblond moet zijn geweest en dus
vergelijkbaar, literair gesproken dan, met het goud van Arabië. Vier of vijf lustra na deze successen op het gebied
van de élégance in de provinciestad, waarvan de naam er nu even niet toe doet,
droeg doña Pura, want zo heette de dame, op het moment dat ze de deur opendeed
voor haar kleinzoon, een niet bijster schone kapmantel, niet bijster nieuwe
vilten sloffen en een slobberige kamerjas van groene tartan. ‘O, Luisín, ben jij het,’ zei ze tegen hem. ‘Ik dacht
dat het Ponce was met de kaartjes voor de schouwburg. Hij had ons beloofd ze om
twee uur te komen brengen. Op die jongelui van tegenwoordig is geen staat te
maken!’ Op dat moment verscheen er nog een vrouw, die even
kort van stuk was als de vorige en ook wat betreft het popperige van haar
gezicht en de raadselachtigheid van haar leeftijd erg op de ander leek. Ze ging
gekleed in een versleten jak, dat in een vorig leven als herenjas had dienst
gedaan, en een lang schort van pakdoek, overduidelijk een keukenkloffie. Ze was
de zus van doña Pura en heette Milagros. In de eetkamer, waar Luis zijn boeken
neerlegde, zat vlak bij het raam, gebruikmakend van het laatste licht van die
korte dag in februari, een jonge vrouw te naaien. Ook dat vrouwspersoon leek
enigszins op de twee andere, met het verschil dat ze jonger was. Het ging om
Abelarda, dochter van doña Pura en de tante van Luisito Cadalso. Zijn moeder,
Luisa Villaamil, was gestorven toen het jochie amper twee jaar was. De vader,
Víctor Cadalso, zal verderop nog ter sprake komen. Toen de drie vrouwen weer bij elkaar zaten, kakelden
ze over het ongehoorde feit dat Ponce (de titulaire verloofde van Abelarda die
de familie voorzag van vrijkaartjes voor de Koninklijke Schouwburg) om half
vijf nog steeds niet was komen opdagen terwijl hij de kaartjes normaal
gesproken om twee uur bezorgde. ‘Zo, in deze onzekerheid, niet wetend of we vanavond
nu wel of niet naar de schouwburg kunnen, kan een mens toch geen beslissingen
nemen of voorbereidingen treffen. Maar dat kan meneer geen snars schelen!’ zei
doña Pura met een sneer naar de verloofde van haar dochter, waarop deze
antwoordde: ‘Moeder, het is pas half vijf. Er is nog alle tijd. Hij heeft vast
kaartjes voor ons, dat zult u zien.’ ‘Ja, maar voor voorstellingen als die van vanavond,
waar zo weinig kaartjes voor zijn dat je er alleen via goede relaties een paar
kunt bemachtigen, getuigt het van wreedheid om ons zo lang in onzekerheid te
laten.’ Ondertussen bestudeerde Luisito zijn oma, zijn
oudtante, zijn jonge tante, en na hun uiterlijk te hebben vergeleken met de kat
die in de eetkamer aan de voeten van Abelarda lag te slapen, vond hij dat de
overeenkomst verbluffend was. Door zijn levendige fantasie kwam hij meteen op
de gedachte dat de drie vrouwen eigenlijk katten ‘op twee poten en met kleren
aan’ waren, zoiets als de gelaarsde kat uit het bekende sprookje. En dit malle
idee maakte dat hij zich afvroeg of hij dan misschien ook een ‘rechtoplopende’
kat was en of hij miauwde als hij praatte. Een tel later kwam hij tot de
slotsom dat de spotnaam waarmee zijn oma en tantes in de engelenbak van de
Koninklijke Schouwburg werden aangeduid in elk geval de normaalste zaak van de
wereld was en ook nog eens zo logisch als wat. Dit alles ontsproot aan zijn
brein in minder dan geen tijd, met de koortsachtige gloed van een goed stel
hersens dat zich oefent in observatie en logisch denken. Hij werd echter in
zijn kattenspinsels gestoord door zijn oma die over zijn bol streek en hem
vroeg: ‘Heb je vanmiddag je vieruurtje niet gekregen van
Paca?’ ‘Jawel, mama... Ik heb het al op. Ze zei dat ik mijn
boeken boven moest brengen en daarna weer bij haar moest komen om met Canelo te
spelen.’ ‘Nou, ga dan maar gauw, jongen; ga maar lekker spelen
als je daar zin in hebt. Of wacht, ik herinner me opeens wat... Blijf niet te
lang beneden want je opa heeft je nodig. Je moet iets voor hem doen.’ De vrouw liep met het jochie mee en toen ze hem
uitliet, klonk uit een vertrek naast de voordeur een holle grafstem die riep: ‘Puuura, Puuura.’ De aangeroepene opende een deur die zich links van
het halletje bevond en verdween in het zogeheten kantoor, een hokje van nog
geen drie bij drie met een raam dat uitkwam op een somber plaatsje. Aangezien
het buiten al begon te schemeren, was in het vertrek nauwelijks meer te zien
dan het oplichtende vierkant van het venster, waartegen zich een langgerekte
schaduw aftekende, die als een openklappend knipmes leek op te veren uit een
fauteuil en wanhopig zijn armen in de lucht gooide terwijl een angstaanjagend
matte stem zei: ‘Zou je me niet eens een lamp brengen? Je weet toch
dat ik hier zit te schrijven en dat het vroeger donker wordt dan ik zou willen.
Straks verpest ik mijn ogen nog door dat getuur naar dat vervloekte papier.’ Doña Pura ging naar de eetkamer, waar haar zuster al
bezig was met het aansteken van een petroleumlamp. Even later bracht mevrouw
het licht naar haar man. Het kleine vertrekje en zijn bewoner doemden op uit de
duisternis als iets dat men schept uit het niets. ‘Ik zit te verkleumen,’ zei don Ramón Villaamil, de
echtgenoot van doña Pura. Hij was een lange, magere man, met grote,
schrikwekkende ogen, een gele huid die helemaal was doorgroefd met enorme
plooien waarin de strepen schaduw wel vlekken leken; zijn lange, doorschijnende
oren lagen dicht tegen zijn schedel aan; zijn dunne stoppelbaardje was lukraak
doorschoten met grijze haren, witte wolkjes in een zee van zwart; de schedel
was glad en had de kleur van een opgegraven bot, alsof hij zojuist was
losgewroet uit een knekelveld om er zijn hersens mee te bedekken. Door de
robuuste kaakpartij, de reusachtige mond, de combinatie van de kleuren zwart,
wit en geel die streepsgewijs over het gezicht liepen, en door de woeste,
donkere ogen drong zich onvermijdelijk de vergelijking op met de kop van een
oude, afgeteerde tijger van wiens vroegere schoonheid, nadat hij had
geschitterd op rondreizende tentoonstellingen van wilde dieren, niets anders
resteert dan zijn bontgekleurde huid. ‘Wie heb je geschreven?’ vroeg mevrouw, terwijl ze de
vlam die zijn walmende tong boven het lampenglas uitstak lager draaide. ‘De personeelschef, meneer Pez, Sánchez Botín en
ieder ander die me uit deze situatie zou kunnen redden. Voor de acute nood (hij slaakt een diepe zucht) heb ik
besloten mijn vriend Cucúrbitas maar weer eens lastig te vallen. Van al mijn
vrienden is hij de enige echte christenziel, een heer, een fatsoenlijk man,
iemand die zich de nooddruft van een medemens aantrekt... Wat een verschil met
al die anderen! Je weet wat dat hondsvot van een Rubín me gisteren geflikt
heeft. Ik schilder hem onze ellende, ik trek een beschaamd gezicht, ik smeek
hem... maar niks hoor, een paar aalmoezen, en... God weet wat je niet eerst
moet wegslikken voordat je besluit die stap te zetten... wat een knauw het is
voor je eigenwaarde... De ondankbare hond, alsof hij alles vergeten is, klerk
was hij op mijn kantoor toen ik afdelingschef was, schaal vier, en die brutale
rakker, die mij gepasseerd is omdat hij zo’n grote mond heeft, ja die het maar
liefst tot gouverneur heeft geschopt, die bestaat het om me af te schepen met
een paar centen.’ Villaamil ging weer zitten en sloeg met zijn vuist op
het bureau waardoor de brieven even opwipten, alsof ze uit pure angst wilden
wegvluchten. Toen hij zijn vrouw hoorde zuchten, richtte hij het gele voorhoofd
op en vervolgde op smartelijke toon: ‘Op deze wereld is het een en al egoïsme en
ondankbaarheid, en hoe meer gemene streken je worden geleverd, hoe meer je er
nog te wachten staan... Neem nou Montes, die boef; zijn carrière heeft hij aan
mij te danken, want ik heb hem destijds nog voorgedragen voor promotie bij
Centrale Invordering. Wil je wel geloven dat hij me niet eens meer groet? En
gewichtig dat het heerschap doet, zelfs een minister heeft het niet zo hoog in
zijn bol... En steeds maar weer een schaal hoger. Laatst nog, op
veertienduizend zit hij nu. En hoepsasa, elk jaar promotie... Dat is de
beloning voor naar boven likken en naar beneden trappen. Hij weet geen fluit
van administratie, het enige waarover hij met de directeur kan praten is de
jacht, de windhond en de lokvogel en weet ik wat al niet meer... En hij
schrijft slechter dan een kleuter, accijns met een korte ei en peildatum met
een lange ij... Maar goed, laten we ophouden over die narigheid. Zoals ik al zei
heb ik besloten opnieuw mijn licht op te steken bij onze vriend Cucúrbitas.
Weliswaar is dit al de vierde of vijfde keer dat ik hem bestook, maar ik zou
niet weten bij wie ik anders moet aankloppen. Cucúrbitas begrijpt pechvogels;
hij heeft medelijden met hen omdat het hem zelf ook niet altijd mee heeft
gezeten. Ik heb hem nog gekend toen hij rondliep in een kapotte broek en met
een hoed die stijf stond van het vuil... Hij weet dat ik hem dankbaar ben...
Denk je dat er een einde zal komen aan zijn goedheid...? God hebbe genade met
ons, want als die vriend ons nu ook in de kou laat staan kunnen we beter
allemaal van het viaduct springen.’ Starend naar het plafond slaakte Villaamil een diepe
zucht. De uitgerangeerde tijger metamorfoseerde. Hij kreeg de verzaligde
uitdrukking van een apostel die omwille van het geloof de martelaarsdood
ondergaat, zoiets als de heilige Bartolomeus van Ribera die, als ware hij een
geitje, hangend aan een boom wordt gevild door het heidense geteisem. O ja, wat
nog gezegd moet is dat deze Villaamil degene was die door stamgasten van
bepaalde cafés Ramses ii werd genoemd. ‘Goed, geef me die brief voor Cucúrbitas nu maar hier,’ zei doña Pura, die zo gewend was aan dergelijke jeremiades dat ze er niet meer van opkeek. ‘De jongen zal hem meteen wegbrengen. Je moet vertrouwen hebben in de voorzienigheid, man, zoals ik. Je moet het hoofd niet in de schoot leggen. (met blijmoedig optimisme) Ik heb zo’n voorgevoel... en je weet dat ik me zelden vergis... dat je voor het einde van de maand weer een betrekking hebt.’
|