|
Dwalen in een
Spaanse slangenkuil Benito Pérez Galdós was wellicht Spanje's productiefste schrijver van de negentiende eeuw en is ongetwijfeld de meest geliefde gebleven. Generaties zijn opgevoed met de zesenveertig delen van zijn romancyclus Nationale episoden, waarin hij de Spaanse geschiedenis tussen 1806 (de slag bij Trafalgar) tot 1876 (de terugkeer van de Bourbons op de Spaanse troon) weerspiegelde. Minstens zo belangrijk zijn zijn Contemporaine romans, die een scherp beeld schetsen van het Spanje van de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw. Zijn meesterproef legde Pérez Galdós af met de meer dan duizend bladzijden tellende roman Fortunata en Jacinta uit 1887, die vorig jaar in het Nederlands uitkwam. De nu vertaalde romans Tormento en Mevrouw Bringas verschenen drie jaar eerder en behoren tot diezelfde reeks. Zachtzinnig gaat Pérez Galdós niet met zijn onderwerp om. De Spaanse, vooral Madrileense samenleving krijgt er bij hem boek na boek van langs. Indolente uitvreters maken er de dienst uit. Pretentieuze leeglopers en profiteurs cirkelen rond het hof en vrijwel de hele burgerij van Madrid vegeteert op kosten daarvan. Een verbeten strijd om hogerop te komen resulteert in gekonkel, achterklap en kleingeestig ellebogenwerk. De stand ophouden geldt als de hoogste deugd, ook al hebben de meesten van de amechtige mondainen geen nagel om aan hun kont te krabben. Dat alles resulteert in `die specifiek Madrileense levenwijze die men elders een mysterie zou noemen,' schrijft Pérez Galdós sarcastisch in Mevrouw Bringas, `maar die hier voor niemand een mysterie was.' Gevlei Het toonbeeld van deze zelfingebeelde en tegelijk kruiperige ambitie is de nuffige Rosalía Pipaón de Barca, echtgenote van de sullige hoffunctionaris Francisco Bringas, die de spil tussen beide nu vertaalde romans vormt. Krengig, berekenend, ijdel en hooghartig, schoffeert zij een ieder die zij lager acht en tracht ze in het gevlei te komen bij wie haar verder kan helpen. Dat gaat niet altijd goed. In Tormento behandelt ze het weesmeisje Amparo als haar huisslavin, totdat Rosalía's schatrijke neef Augustín een oogje op haar laat vallen en Amparo haar glorieus voorbij dreigt te streven. In Mevrouw Bringas laat ze zich door haar ijdelheid op sleeptouw nemen en gaat terwille van haar garderobe grote schulden aan. Om - buiten medeweten van haar man - aan geld te komen, geeft ze zich aan een huisvriend (die desondanks niet over de brug komt) en klopt ze aan bij Amparo's zuster, die inmiddels ook in goeden doen verkeert. Wanneer haar vernedering compleet is, volgt de genadeslag. Koningin Isabel II wordt afgezet en de Bringassen verliezen hun woning in het paleis, Rosalía's grote trots. Pérez Galdós heeft zijn Contemporaine romans niet alleen bedoeld als een Spaanse comédie humaine naar het voorbeeld Balzac, de schrijver met wie hij het best te vergelijken is. De politiek is in zijn werk nooit afwezig. Over de twee nu vertaalde romans, die gesitueerd zijn in 1867-68 hangt de dreiging van de omwenteling die aan het slot daarvan dan ook plaatsvindt. Het verkalkte regime van Isabel II maakte plaats voor een liberaler bewind, dat korte tijd de belofte van maatschappelijke en politieke vernieuwing in zich droeg. Vijf jaar later was die alweer vervlogen. De `Glorieuze Revolutie' werd gevolgd door een lange periode van restauratie. In Fortunata en Jacinta, dat in de jaren na 1873 speelt, weerklinken nog de echo's van deze opeenvolgende omwentelingen. Pérez Galdós, die in datzelfde jaar met zijn Nationale episoden begon, wilde in zijn romans een tegenwicht bieden aan deze reactie en Spanje tot hervormingen bewegen door het land een spiegel voor te houden. Niet van het oude regime en de gezeten kringen moest de toekomst van het land komen, maar van de levenskracht van het volk en het jonge ondernemerschap en kapitaal. In Tormento heeft hij die twee gepersonifieerd in het weesmeisje Amparo, ook Tormento genoemd, en Augustín, die in de Amerikaanse woestenij fortuin heeft gemaakt en als `wilde' hopeloos verloren loopt in de Madrileense slangenkuil. Dat beiden, na geroddel over een misstap in Tormento's verleden, naar het buitenland moeten uitwijken, maakt duidelijk dat Pérez Galdós de taaiheid van het oude Spanje niet onderschatte. Toch zouden ook daar de verhoudingen, mede door een beginnende industrialisering en de toestroom van nieuwe (`Amerikaanse') rijken, onherroepelijk veranderen, al zou de slingerbeweging tussen reactie en vooruitgang er heftiger zijn dan in de meeste andere Europese landen. Opmerkelijk genoeg hebben de romans van Pérez Galdós, ondanks hun evidente progressieve lading, ook tijdens de meest reactionaire perioden hun populariteit nooit verloren. Het Franco-regime was vooral van het `nationale' karakter van zijn grootste cyclus gecharmeerd, terwijl de lezers zich graag door zijn (vaak vrouwelijke) hoofdpersonages lieten innemen. Tormento, Tristana, Jacinta en Fortunata zijn, ondanks de emblematische rol die ze te vervullen hebben, levensechte figuren en hetzelfde geldt - aan de andere kant van het spectrum - voor Mevrouw Bringas, die weliswaar kortzichtig, egoïstisch en bekrompen maar daarom niet minder herkenbaar is. Sigaartje Deze aandacht voor het individuele karakter en levenslot van zijn personages tilt de romans van Pérez Galdós uit boven het niveau van het romaneske pamflet. Zijn gevoel voor dramatiek en de goed in elkaar zittende plots maken ze ook tot méér dan de in die tijd geijkte feuilletons, hoewel ze daar met hun episodische opbouw en spanningsverhogende hoofdstukafbrekingen (`Nu ben ik aan de beurt om te spreken. Maar eerst nog een sigaartje.') wel de sporen van dragen. Tot de grote wereldliteratoren van de negentiende eeuw hoort Pérez Galdós ongetwijfeld niet. Daarvoor is zijn stijl te vlak en zijn zijn boeken te terloops geschreven, ook al probeert Adri Boon in zijn nawoord van Tormento van hem een postmodernist-avant-la-lettre te maken, die op speelse manier verschillende literaire stijlen met elkaar vermengde. Het sterkst is Pérez Galdós in zijn realisme. Naast een bijtend criticus was hij een scherpzinnig waarnemer van de Spaanse negentiende eeuw, waarvan hij de ondeugden even haarfijn wist te beschrijven als hij in zijn dialogen de subtiliteiten van de Spaanse dialecten en standstalen wist uit te buiten. Dat laatste is in de nu - uitstekend - vertaalde boeken onvermijdelijk verloren gegaan. Indruk maken ze vooral als romaneske tijdsimpressies, waarin Pérez Galdós zich ongegeneerd opwerpt als politiek en maatschappelijk moralist. Iedere bladzijde uit zijn oeuvre bewijst dat het voor hem in de literatuur nooit om l'art pour l'art is gegaan. Daarin ligt de beperking van zijn werk, dat in veel opzichten gedateerd is, maar dat daardoor tegelijk uitnodigt tot een soort tijdreis: een date met Spanje's nog niet zo heel ver achter ons liggende, voorgoed verdwenen verleden.
|