|
Uit het Spaans vertaald door Elly de Vries-Bovée
`Excuse me,' durfde Quirós ten slotte te vragen. `Have you got the time?'
`Ja, natuurlijk. Het is vijf voor zes,' antwoordde Ortega.
`Wat een hitte, hè?' glimlachte Quirós.
`Ach, zoals gewoonlijk. Zesendertig graden. Het is al achttien juli.' Ortega had zich naar Quirós toegedraaid; op zijn tafeltje lag een exemplaar van de Cambio-16 van die week.
Het was aan de Gran Vía. De drukte van de late namiddag. Geloofwaardigheid en ongeloofwaardigheid wisselden elkaar snel af. Het pafferige gezicht van Francisco Fernández Ordóñez besloeg het hele titelblad van het tijdschrift: zijn kastanjebruine ogen, zijn zinnelijke lippen, de sporen van de jaren. Het was een goede kleurenfoto. Je kon zelfs de stoppels van zijn baard zien.
`Ik heb deze zomer erg veel last van de hitte!' De mooie mediterrane ogen van Quirós glansden zwart, vriendelijk, als op een foto in een reisgids. Ortega moest aan een liftboy van een hotel in Sitges denken.
`Vraag je altijd in het Engels hoe laat het is?' vroeg Ortega.
`Ik dacht dat u een Engelsman was. Een buitenlander. U ziet er niet uit als een Spanjaard,' antwoordde Quirós.
`Maar ik ben het wel. Ik moet je helaas teleurstellen.' Ortega was geamuseerd. En daarom voegde hij eraan toe: `Maar jij bent onmiskenbaar een Spanjaard. Of een Italiaan. Allesbehalve een noorderling.'
`Het spijt me u te moeten teleurstellen.'
`Integendeel. Blonde rassen vind ik altijd saai. Er gaat niets boven een druppel Arabisch bloed om een gezicht te verlevendigen. We zijn immers allemaal halve moren.' Quirós verschoof zijn stoel om dichter bij Ortega te gaan zitten. Het hoge glas van de ijssorbet die hij al op had stond daarbij op Quirós' tafeltje te wankelen. De mensenmenigte van de late namiddag liep af en aan op de Gran Vía van een rozig Madrid.
`Ja, halve moren, halve joden, halve christenen, en allemaal hopeloos sentimenteel en verward,' zei Ortega.
`Die ook?' Quirós wees naar de foto van Fernández Ordóñez.
`Die vooral,' riep Ortega lachend uit. `Op en top made in Spain.'
`Wat vindt u hem? Een staatsman of een politieke kameleon?'
`Een staatsman, een staatsman natuurlijk, en van het allerfijnste soort, want hij leest zelfs Pessoa!'
`Dat lijkt me overdreven!' Quirós was in zijn nopjes. Een beetje scepticisme met betrekking tot de politiek kon dit ongebruikelijke gesprek alleen nog maar naar een hoger niveau tillen.
`Waarom zeg je dat? Heb je soms iets tegen Fernández Ordóñez?' Ortega zuchtte bij deze woorden. Hij bedacht dat hij die middag een gemakkelijke rol te spelen had. En een heel bevredigende. Een rijpe man, nog vol jeugd, vol illusies. De waarlijke tegenhanger, op kleine schaal, van de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken. `Ik ben ervan overtuigd dat hij een man van eer is.'
`Hij zal wel slim zijn. Hij weet net als een kat altijd weer op zijn poten terecht te komen. Zo iemand vindt altijd werk.'
`Ja natuurlijk! Waarom niet? Hij heeft zijn examens gehaald, hij werkt hard, is slim, leest Pessoa, heeft politieke ervaring, de post die hij heeft komt hem toe, vind je niet?'
`Als u het zegt...'
`Bovendien is hij een echte Madrileen; hij heeft charme.'
`Kent u hem persoonlijk?'
`Luister, ik zal je een anekdote vertellen.' Ortega haalde een pakjes Ducados te voorschijn. Quirós een pakje Fortuna. Beiden legden hun sigaretten op hun eigen tafeltje. De tijd was nauwelijks zichtbaar. De hitte was nauwelijks merkbaar. Op de menigte die op de trappen van de Lope de Vegabioscoop op de voorstelling van zeven uur stond te wachten lag een intense gloed. Ortega glimlachte toen hij de rook van zijn eerste trekje uitblies. Quirós glimlachte onwillekeurig, tegen beter weten in, opeens weer achttien met zijn bijna vijfentwintig jaar.
`Ik begrijp niet dat u zoiets kunt roken.'
`Ducados? Die rook ik al jaren. De rest smaakt nergens naar, zelfs sigaren niet. Het is een gewoonte. We zijn immers gewoontedieren. Daar valt niet omheen te draaien.'
`Ik heb u onderbroken, neemt u me niet kwalijk. U zou me een anekdote vertellen.'
Quirós schoof zijn stoel nog een beetje dichter naar die van Ortega. Ortega deed alsof hij zich niet meer herinnerde waar ze het over hadden. Amusant was dit. Net als in zijn eigen romans, vijftien jaar geleden. Een ontmoeting op de Gran Vía. Een spontaan gesprek, op een achttiende juli, bij een maximum van zesendertig graden en een minimum van twintig. Een onmiskenbaar realistische dialoog. Een zekere smaakvolle distantie bovendien. Een voor een verhaal aannemelijk onderhoud.
`Een anekdote, ja. Waar hadden we het over?'
`Over Fernández Ordóñez.'
`O ja, natuurlijk. Precies, ja. Een anekdote waardoor je je een idee kunt vormen van een persoon, van een menselijk wezen, beter gezegd. Je zult het misschien een dwaas verhaal vinden. Maar ik vertel het graag omdat het mezelf is overkomen. Mij persoonlijk. Het is uit de eerste hand.'
`O, u kent hem dus persoonlijk?'
`Dat bedoel ik. Het was ter gelegenheid van een huldiging van José Luis Aranguren. Die was nog niet begonnen. En ik was daar ook, en stond bij het podium met Aranguren te praten. Toen kwam Fernández Ordóñez naar ons toe. En precies op datzelfde moment kwam iemand anders, ik weet niet wie, op Aranguren af om hem te begroeten. Dus stonden Fernández Ordóñez en ik daar pal tegenover elkaar, zonder een woord te zeggen. Ik wil je wel bekennen dat ik me opgelaten voelde. Ik wilde me voorstellen, maar hij was me voor en gaf me een hand met de woorden: ik ben Francisco Fernández Ordóñez. Wat overduidelijk was. Dat had niemand me hoeven te vertellen. Ik vond dat aardig van hem. Heel spontaan en zonder enige pretentie. Dat beviel me wel. Daarna stelde Aranguren ons aan elkaar voor, natuurlijk.'
`Ik zie wel dat u ook tot dat wereldje behoort,' zei Quirós.
Het was fascinerend. Allebei dachten ze: wat fascinerend! Ortega voelde zich behaaglijk volwassen. Quirós vermetel, kinderlijk. Alle feiten, zelfs de niet genoemde, de mogelijke, waren tegelijk aanwezig. Een triviale, avondlijke, onuitsprekelijk geloofwaardige situatie.
`Nou ja, nu niet meer. Ik behoorde er toe, ik behoorde er toe... Jaren geleden. Nu niet meer. Dat met Aranguren was een speciaal geval. Ik ken hem al jaren.'
`Bent u schrijver?' vroeg Quirós.
`Dat was ik,' antwoordde Ortega glimlachend.
Alle speciale effecten werkten. Er was geen inspanning voor nodig. Je hoefde je alleen maar te laten gaan. Je te laten meevoeren door het gesprek. Als tijdens een gelukkige nacht thuis, gezeten voor zijn schrijfmachine, op de zevende verdieping, aan het einde van de lente, toen hij in één ruk een verhaal schreef. ``Die verschrikkelijke inspanning en de vreugde te zien hoe het verhaal zich voor me ontrolde, alsof ik over de wateren voortschreed.'' Ortega schaamde zich dat hij aan Kafka dacht in een zo goedkope context als de huidige. Maar waarom goedkoop? vroeg Ortega zich goedgehumeurd af. Hij voelde zich die avond geïnspireerd. Was misschien die avond eindelijk de inspiratie gekomen, het geluk? Ortega bedacht snel dat er geen enkele reden was om al zo snel te gaan. Quirós, die nog steeds onder de indruk was van dat dramatische `Dat was ik', staarde hem aan. Hij was geen kind meer.
`U was het, dus u bent het,' stelde Quirós stralend vast.
`Dat is een nogal twijfelachtige conclusie, vind je niet? Waarom wilde je weten hoe laat het is?'
`O ja, ik vroeg naar de tijd. Ik draag geen horloge. Ik heb met mijn vriendin afgesproken.'
`Aha!' was Ortega's commentaar.
`Maar later op de avond, later, veel later. Ze is secretaresse. Ze werkt tot zeven uur. We hebben afgesproken naar de bioscoop te gaan, naar de laatste voorstelling. Eigenlijk meer voor de airconditioning dan voor de film, wat mij betreft tenminste.'
Vooral de toon van het antwoord amuseerde Ortega. Alles was die avond een kwestie van tonen, van impulsen. Een zuiver muzikale gebeurtenis.
`Dan heb je nog de tijd. Hoe laat hebben jullie afgesproken?'
`Om tien uur in Callao,' loog Quirós, die deze avond niet met Cristina, zijn vriendin, had afgesproken.
Een impulsieve leugen die tot de structuur van heel die dialoog leek te behoren, als een eenvoudig passend stuk in een levendig en afgerond geheel. Een leugen die als deel van een nieuwe verbale en imaginaire totaliteit geen echte leugen was, maar eerder deel van de achterliggende waarheid. Het ging erom koste wat kost door te gaan. En dat ze moesten doorgaan en niet gewoon opstappen, dat ervoeren ze beiden op dat moment als dwingend. Zo gaat het nu eenmaal in dergelijke gevallen.
`U zei...' vervolgde Quirós. `Wel, ik heet César, César Quirós.'
`Gonzalo Ortega, aangenaam.'
`Aangenaam,' herhaalde Quirós.
`Wederzijds aangenaam, dus. Een slecht begin,' merkte Ortega op.
`Slecht? Waarom slecht? Ik zou het tegendeel beweren.'
`Dat komt omdat je twintig bent.'
`Helemaal geen twintig. Vierentwintig.'
`Je ziet eruit als twintig,' hield Ortega vol.
En op dat moment bedacht hij dat hij niets te verliezen had. En niets te winnen ook. Ortega voelde zich op dat moment in vrede met zichzelf, hoewel hij wist dat zo'n gevoel altijd bedrieglijk is. En de wetenschap dat te weten verhoogde het gevoel van vrede, in plaats van het te verminderen.
`Om precies te zijn,' zei Ortega, `zie je eruit als twintig, maar je manier van praten wekt de indruk dat je ouder bent.'
`O ja? En wat voor manier is dat dan?'
`Dat is moeilijk te zeggen...' Ortega dacht even na en zonder zich goed te realiseren wat hij zei, flapte hij eruit: `Alles is moeilijk te zeggen, iets zeggen is altijd een kwelling. Hoe scherp je iets ook ziet, hoe dichtbij het ook is. Iedere willekeurige menselijke activiteit is gemakkelijker dan simpelweg iets zeggen. Daarom ben ik vijftien jaar geleden opgehouden met schrijven.'
Quirós zweeg. De schemering maakte alles lichter, goudgeler en fleuriger. En zachter. En op paradoxale wijze abstracter. Reduceerde zich tot de oervorm van het licht. Alles glimlachte, behalve misschien de tijd die zich als een platina lokaas voortbewoog en verstrikt raakte in de verre bruine onderwaterflora, midden in de peilloze diepte der zomeravonden.
`Waarom kijk je me zo aan?' vroeg Ortega.
`Hoe kijk ik u dan aan?'
`Nou, zo starend. Heb ik soms iets teveel gezegd?'
`Nee, nee. Niets teveel. Neemt u me niet kwalijk, als ik u aanstaar. Ik heb nog nooit iemand zoals u gekend of, liever gezegd, ontmoet. Het is de eerste keer.'
`Voor mij is het ook de eerste keer dat ik zo zit te praten,' bekende Ortega. `En deze spraakzaamheid kan niet het gevolg zijn van een citroensorbet. Het moet het gevolg zijn van een puur bewustzijn van jezelf, en zo niet, dan...'
`Inderdaad, wat u zegt,' zei Quirós.
`Weet je dat ik al jaren met niemand meer praat? Met niemand. Dat is gauw gezegd. Maar het is de waarheid. Werkelijk, als ik een ander was, als ik jou was, dan had ik nooit met mij op de Gran Vía zitten praten.'
`U bent erg pessimistisch.'
`Absoluut niet. Realistisch. Alleen maar realistisch. Vertel me eens iets over jezelf.'
`Daar valt niet veel over te vertellen. Ik denk niet dat het u veel zal interesseren.'
`Het interesseert me bijzonder.'
`Het is interessanter met u te praten dan met mijn vriendin. Maar ze is een aardig meisje, hoor. Ze is meer waard dan ik. Dat zeg ik steeds. Maar praten, dat doen we niet. Wat je praten noemt. Ze is secretaresse.'
`Ja. Dat heb je al verteld. Een heel mooi beroep.'
`Nu neemt u me in de maling.'
`God bewaar me!'
`Wat een rommelig gesprek!'
`De beste gesprekken zijn zo,' zei Ortega.
Het was half negen in de avond. De duisternis viel nu snel. Alles vormde een gesloten geheel. Er was geen ontsnappingsweg of alternatief. Het moest doorgaan.
`Vandaag de dag,' stelde Quirós vast als iemand die het weet, `praat de jeugd nauwelijks.'
`Maar jij praat immers wel.'
`Ik ben niet zo jong meer.'
`Jong genoeg.'
`Voor u misschien.'
`Doe me een plezier en spreek me niet met u aan. Laat die formaliteit varen.'
`Ik laat alles varen, de formaliteit of wat dan ook.'
`Spreek me met jij aan.'
`Zoals u wilt, ik bedoel, zoals je wilt.'
`Het is al bijna negen uur,' zei Ortega. `Over een uur zal je je vriendin ontmoeten.'
`Inderdaad.'
`Het moet fijn zijn daar in Callao een vriendin te ontmoeten. Fantastisch lijkt me dat.'
`Waarschijnlijk omdat u niet wilt.'
`Tja. Nou ja... Ik moet er vandoor... Ober, hoeveel is het?'
`Alleen van u, mijnheer?'
`Van alletwee. Van mijnheer en van mij.'
`Twee citroensorbets. Dat is driehonderd peseta's.'
`Wat een afzetterij!' was Quirós' commentaar.
`We hebben hier bijna twee uur gezeten. Dat heeft ook zijn prijs,' merkte Ortega op, terwijl hij de consumpties betaalde. Ze stonden allebei tegelijk op. En het was Ortega die een rilling van jaloezie voelde bij de gedachte, dat Quirós binnen het uur zijn vriendin zou treffen. En hij zei:
`We moeten elkaar nog eens zien. We kunnen het niet zo laten...'
`We kunnen het niet zo laten,' herhaalde Quirós.
Ze spraken af elkaar de volgende dag terug te zien op dezelfde plek en op dezelfde tijd. De zomer in Madrid is altijd erg lang. Het menselijk leven altijd kort. En zo begon het allemaal.
Naar
de MKW-beginpagina
|