Uit het Spaans vertaald door Elly de Vries-Bovée
Mijnheer en mevrouw waren meestal afwezig, en als ze er wel waren, dan was het meestal een feestdag. Het was een deftig baantje. In dat huis in Franse stijl, met zijn enorme mansardes die tussen de schoorstenen uitstaken. Met zijn grote en kleine bronzen beelden, die de terrassen iets welsprekends gaven. En de zes blinkende erkers, hoog boven het Plazuela de San Andrés, even elegant en bijna even stoutmoedig als de masten van de zeilschepen die tegenover de regattaclub voor anker lagen, in de beschutting van de haven.
Het huis werd het hele jaar bewoond en verzorgd door drie man personeel, de gouvernante niet meegerekend. Mensen van zeer hoge stand waren het, zowel de familie van mevrouw als de familie van mijnheer. Verwant met het puikje van Bilbao. Je hoefde maar naar de opgedofte kindermeisjes te kijken, hoe die erbij liepen, elke dag in een anders gekleurde, prinselijk gesteven jurk. En de kasten op de gang, vol met linnengoed en glaswerk. En de fijngeweven tafellakens. En de potten met marmelade, rechtstreeks uit Engeland. Maar, het moet gezegd, in beide families werd een beetje teveel onder elkaar getrouwd. `Mijnheer en mevrouw,' had de bazin van hotel Príncipe Alfonso verzekerd, terwijl ze deze informatie met een kuchje en een wit linnen zakdoekje afschermde, `mijnheer en mevrouw zijn naaste bloedverwanten.' Wat volgens de hotelbazin, met of zonder dispensatie van de paus, gewoon niet goed kon zijn voor het kind, zo veel van hetzelfde bloed bij elkaar. Het kind kwam op de allereerste plaats. Op het kind legde ze erg de nadruk. Zelfs de farao's van Egypte, die om diezelfde reden allemaal aan de tering leden -voerde ze tenslotte aan- zouden haar gelijk geven. Dat kind, zo overduidelijk het produkt van inteelt, dat het wel buitenlands leek, zo blond als het was; met de blauwe ogen van een kat, zo helder waren ze. Het speelde de hele dag alleen, in gezelschap van de kat en de miss, met een divisie tinnen soldaatjes en een eskader jachtbommenwerpers, alles elektrisch. In een kinderkamer met gothische ramen. Terwijl de miss de krant zat te lezen, en op zuurtjes en kruidenbonbons zat te sabbelen. Zo mager als een lat was die miss, en, naar de hotelbazin had gehoord, raakte ze geen brood of groente aan, gebruikte ze op haar kamer het ontbijt en het middagmaal en at ze van het avondeten alleen wat voor tweede gang doorging, maar nooit gehaktballen, om zeven uur 's avonds, samen met het kind als het uit school kwam, met thee en toebehoren. Noch het kind, noch zijzelf sprak Spaans. Alleen Engels, 's ochtends en 's avonds. Het enige inheemse daar was de kat. En het personeel.
Een fascinerende job. Een ander woord had hij er niet voor. Hij wist niet hoe hij ervoor moest bedanken. Hij voelde zich zweterig, huilerig, een beetje beschaamd en opgewonden, gelukkig bijna.
`Ik kan u niet zeggen hoe dankbaar...' mompelde hij ten slotte.
De hotelbazin, die zich tegenover hem als een moeder gedroeg, maar het gesprek al een tijdje als beëindigd beschouwde en nu zienderogen haar geduld begon te verliezen, onderbrak hem plotseling:
`Nou, als u het niet kunt zeggen, dan zegt u het maar niet, het is al bijna elf uur! Dankbaarheid toont men door daden, zeg ik altijd maar. In plaats van te bedanken doet u mij maar een plezier door u goed te gedragen, zo! U weet wel wat ik bedoel...' Opnieuw kwam het witte zakdoekje tevoorschijn, het kuchje van daarstraks, en met iets gedemptere stem, nog betweteriger, alsof ze van de recherche was: `Dat bedoel ik, ja. Het is nu absoluut afgelopen. Als er iets gebeurt dan sta ik deze keer niet voor u in, dus u weet het! U doet uw plicht en vergeet wie u moet vergeten. Begrepen?'
Het salpeterachtige licht deed zijn ogen tranen toen hij de straat op ging. Hij betastte het borstzakje van zijn jasje, tikte er een paar keer op met zijn linkerhand, lichtjes, alsof hij van tevoren al wist dat zijn donkere bril er niet in zat. Hij herinnerde zich dat hij hem die ochtend had opgezet, kort voordat hij de trap naar de receptie afging om afscheid te nemen van de bazin. Hij wist zeker dat hij hem niet bij zijn schaarse persoonlijke bezittingen had laten zitten, in zijn koffer die nu als een mishandelde hond aan zijn voeten op hem wachtte. Het had geen zin er nu naar te zoeken. Die donkere bril die hij altijd overal liet liggen, steeds als hij ergens wegging, maakte sinds enkele uren deel uit van die schimmige verzameling kwijtgeraakte voorwerpen die zijn geheugen vergeefs trachtte te classificeren, om ze voor altijd van de vergetelheid te redden. Evenveel donkere brillen -die vanwege zijn chronische netvliesontsteking onmisbaar voor hem waren- als verblijfplaatsen. En sinds ze elkaar in die toneelgroep hadden leren kennen, waren het heel wat verblijfplaatsen geweest, tot en met de ergste van allemaal, de voorlaatste, evenveel als... Hij probeerde zijn tranen te drogen zonder zijn halfgesloten oogleden aan te raken, wierp zijn hoofd wat naar achteren en onderdrukte het hevige verlangen om in zijn ogen te wrijven. Ze hadden hem verteld dat zijn gezicht een tragische uitdrukking had, spectaculair gezwollen door het ontstoken netvlies. Huiverend, als een lagune, met opvallende nerveuze trekjes. In feite was hij echter zo vertrouwd geraakt met de zanderige prikkeling van zijn ogen, dat de crises hem weloverwogen voorkwamen, op de een of andere manier door hemzelf in gang gezet, gesimuleerd. Een absurde gedachte, waarvan hij zich niet wilde losmaken. Alsof het lijden tussen hemzelf en de anderen oprees zoals men een masker opzet. Want die niet te onderdrukken afwijking, dat huilen, als een hinderlijke huilerigheid, was in feite zijn masker. Hij was ervan overtuigd dat alle maskers een diepere waarheid vertellen over de gemaskerden. Alsof hij voor de grap vroeger, in zijn jonge jaren, of misschien nog vroeger, veel eerder, als klein kind, de onzichtbare slapende huid van het gezicht van een ander over het zijne had getrokken, dat nu, naarmate het ouder werd, grimassen begon te vertonen omdat er een ander leven, een ander hart achter zat. De noordwestenwind deed de zonbeschenen tamarindebomen huiveren, zwol aan in hun loofrijke ingewanden, als de collectieve adem van een bos. Even leken alle mensen besluiteloos, alle wensen oppervlakkig. De hemel was helder en zijdezacht. Als een opgeloste tamarinde. Diepblauw, nadat hij in razendsnel tempo ijl en zilverig was geworden, door de noordwester en de regens van de laatste weken, die de witte en paarse petunia's koperkleurig hadden gemaakt. En de avondschemering korter. Zou het waar zijn van die tinnen soldaatjes? En die miss? Misschien was ze niet zo broodmager als de bazin zei.
Nu moest hij gaan. Toen hij vooroverboog om de koffer op te pakken, merkte hij zijn twee metgezellen op die vanaf het terras op de eerste verdieping naar hem riepen. Hij draaide zich naar hen toe, de koffer al in de hand. Met zijn linkerhand zwaaide hij ze mechanisch gedag, zonder iets te zeggen. Voorgoed vaarwel, dacht hij. Hij liep enkele passen, en uit vrees zijn plotselinge voornemen te verraden door een overhaast afscheid bleef hij staan en keek naar het terras, zonder zijn koffer neer te zetten, maar met zijn vrije hand in een overdreven gebaar aan zijn oor, alsof hij hen probeerde te verstaan. Ze riepen nu beiden tegelijk, alsof ze iets herhaalden; drie of vier woorden, meer niet; zelfs geen zin. Het geschreeuw en de wilde armgebaren overstemden de betekenis van de woorden, als die er al was, en ontnam die er zelfs aan. Of gaf er een andere betekenis aan. Wat maakte het ook uit? Als marionetten bewogen ze boven de gearticuleerde klanken. Toch was de afstand tussen hen niet zo groot dat hij niet met een beetje goede wil zou kunnen verstaan wat ze zeiden. Hij liet zich een ogenblik door de stemmen verdoven. Een hele vleugel van het hotel leek verduisterd omdat de zonneschermen omlaag waren en de witte rieten stoelen met het oog op de winter al waren weggehaald. Hij bedacht dat de grote blauwwitte voorgevel, het bordes, de vochtige tuin rondom het gebouw, met de grindpaden, al spoedig het ingetogen beeld zouden vertonen van de vaste gasten, de bedaarde wintergasten die om acht uur 's avonds dineren. De twee op het terras, die met schreeuwen waren opgehouden, begonnen weer en wierpen daarbij hun hele marionettenlichaam over de balustrade. Weer hief hij zijn linkerhand op, hem nauwelijks bewegend. Daarna vluchtte hij haastig weg, de tuin uit. Wat hadden ze hem te zeggen? En wat deed het ertoe? Maakte het eigenlijk nog iets uit, op dit moment, nu hij zich over het pad naar de ingang haastte, naar de uitgang, het grind knisperend onder zijn voetstappen, naar het hek van Hotel Príncipe Alfonso? Met de last van zijn koffer, die hem nauwelijks hinderde, zelfs bijna blij maakte, en onder de boosaardige blik van de bewaker, die hem in het voorbijgaan groette, zonder zijn glazen hokje te verlaten. Het nog steeds koortsachtige beeld van zijn terugkeer naar het hotel, na het gebeurde, bracht hem ertoe om te kijken. Vanuit de poort, waarvan de opvallende ijzeren lansen op een meter afstand oprezen en hun schaduw op het grind wierpen, zag hij de bewaker door het glas van de kleine deur van zijn post naar hem gluren. Die oude kletsmeier met zijn bolle rooddoorlopen ogen, die hem de avond van zijn terugkeer naar zijn papieren had gevraagd, net alsof hij hem niet kende. Eindelijk was hij overal van af! Buiten het bereik van iedereen; hij was nu buiten het bereik van hun voorstellingsvermogen, als een volslagen onbekende. Ongrijpbaar als het noodlot zelf. Hij was zelfs buiten het goedbedoelde, maar vernederende en ongeduldige bereik van de hotelbazin. En binnen enkele uren zou hij in het nieuwe huis zijn, veilig en wel. Hij bleef staan.
Bijna zeshonderd meter had hij schijnbaar in één sprong afgelegd. Hij liet de koffer op de stoep van de overdekte bushalte aan de promenade neerploffen. Een prachtige lucht. Het wasachtige groen van de laurierstruiken. Wat lag het prachtig te glanzen, dat verlaten deel van het Agüeropark, het park van de zusters van het San Cosmeklooster! De woelige, herfstige en wassende zee ruiste met de machtige en verre hartstocht van een gigantische schelp. Al was die gouvernante erg op zichzelf, hij wist het al... Hij zou zich verstaanbaar zien te maken met het beetje Engels dat hij kende, zo beleefd mogelijk, zo goed als hij zich beroepshalve wist te presenteren. Misschien was het wel waar van die tinnen soldaatjes... De hotelbazin had, voorzover hij zich herinnerde, de leeftijd van het kind niet genoemd. Naar wat zij vertelde kon het elke leeftijd hebben; een tinnen soldaatje is per slot van rekening een tinnen soldaatje. Je kon je er net zo goed een klein kind als een oudere jongen bij voorstellen. Het was allebei even aardig. Alles vergeten, en niet denken aan wie hij niet moest denken, daarin had de bazin gelijk. Ze zouden hem een eigen kamer met bad geven. Misschien zou hij dát zelfs krijgen; een badkamer voor hemzelf alleen, naast zijn slaapkamer. Op dat moment gleed plotseling een autobus langs de stoep. Het was een blauwe bus, waar niemand in zat; lang, ruim, met deuren die vanzelf opengingen en ingericht als een tram, met lattenbanken, de grote sensatie van die zomer, een levensgevaarlijk, bijna oncontroleerbaar voertuig, naar beweerd werd; ideaal voor het stadstransport, naar eveneens beweerd werd. Conducteur en chauffeur verenigd in één persoon, die bij deze gelegenheid geen pet droeg, omdat er toch niemand in de bus zat. Hij ging helemaal achterin zitten om geen gesprek te hoeven voeren. De bus reed bruusk weg. De koffer wiebelde en viel op de grond. Bij de eerste bocht verdween hij onder de banken, als een hond.
Terwijl hij opnieuw zijn tranen droogde, bedacht hij dat deze keer, voor het eerst in zijn leven, alles bevredigend was afgelopen.
Naar
de MKW-beginpagina |