Alvaro Pombo: Onder vrouwen

Uit het Spaans vertaald door Elly Bovée



‘Nines kun je niet serieus nemen! Dat ze ergens aan lijdt zal ik niemand betwisten. Maar een ziekte is het niet.’

‘Ze was smoorverliefd, het is een soort ziekte geworden...!’ was het commentaar van mijn moeder vanaf het andere einde van de tafel in de eetkamer waar we met de hele familie thee dronken.

‘En wat dan nog? Wat heeft liefde te maken met niet eten? Nines heeft geen greintje eigen wil. Zeg me eens, jij die de liefde kent, hoeveel vrouwen zijn er voor zover jou bekend uit liefde gestopt met eten? Niet één!’ verzekerde tante Lucía in antwoord op haar eigen vraag.
Violeta en ik keken elkaar weer aan, verschrikt en gefascineerd door de heftige wending die tante Lucía’s woorden begonnen te krijgen. Rechtop in haar stoel, zonder tegen de rugleuning aan te leunen, sperde ze, woedend om de lichte tegenstand die mijn moeder leek te bieden, haar grote blauwe ogen open.

‘Lucía, je ei! Eet je ei op want als het straks koud is krijg je het niet meer weg.’

Maar tante Lucía was op dat moment niet geïnteresseerd in de temperatuur van haar eten. Dus gaf ze slechts met haar elegante ivoren lepeltje een harde tik op het ei. Niemand zou hebben kunnen verhinderen dat tante Lucía over tante Nines zei wat ze wilde zeggen.
‘Nines doet domweg geen moeite zich er overheen te zetten, en dat zal ze ook nooit doen, al sla je haar dood. Een dokter baat niet, er is geen verpleegster of non of wie dan ook die tegen een wil als die van haar is opgewassen. Ze heeft besloten van honger te sterven en je ziet, ze zit al onder de veertig kilo, net als Gandhi!’

Violeta en ik keken elkaar weer aan. De storm begon steeds heviger te worden. Op rustige toon, een toon die erop berekend was om tante Lucía, de oudste van de zussen -na haar kwam mijn moeder en vervolgens tante Nines-, op stang te jagen, verklaarde mijn moeder:
‘Wat jij zegt is zeer onrechtvaardig en volkomen absurd. Je weet hoe alles gegaan is. Ik heb het niet alleen over het ongeluk. Ik heb het over alles, die arme Nines. Over haar leven zoals het was en zoals het is. Ze wil niet van honger sterven. Ze wil niet dood. Ze wil alleen niet meer leven, en dat is iets heel anders.’

Er daalde een diepe stilte neer op het naturelkleurige tafellinnen en het elegante serviesgoed van mijn grootmoeder. Violeta en ik kropen in onze schulp en keken strak naar onze borden. De discussie noch de emotie was nieuw. Dat hoefden ze ook niet te zijn om een ongelooflijk fascinerende uitwerking te hebben. Het woord ‘rechtvaardigheid’ voerde de aandacht van tante Lucía naar gebieden van grote diepte en nervositeit. Het veronderstelde onrecht dat tante Nines was aangedaan bleef ingekapseld en bedwongen door de gedachte aan rechtvaardigheid in het algemeen die tante Lucía op dat moment ten toon spreidde. Uiteindelijk werd het evenwicht dat correspondeerde met de balans van de rechtvaardigheid volledig verstoord, tegelijk met het lepeltje, het schoteltje en het kopje thee die lagen te wiebelen in de linkerhand van tante Lucía. Ze vielen nooit, ook al stonden ze vaak op het punt te vallen, iets wat we allemaal het liefst hadden willen doen: neerstorten. En samen in vrede met de brokstukken van het serviesgoed en de rechtvaardigheid in vrede rusten, op het met thee bevlekte tafellaken, zonder enige allure. Maar de allure ontbrak nooit: alsof tante Lucía juist in de vingertoppen van haar linkerhand een magneet had, met zijn stalen of metalen tegenpool in het lepeltje, het schoteltje en het kopje, die een grote onevenwichtigheid toestond binnen het zeer elegante evenwicht van tante Lucía, haar stem en haar gebaren.

Het was november. Tante Nines woonde niet meer thuis. Op medisch advies had tante Lucía haar naar de Adoratrices, de Zusters van Aanbidding, in Letona gebracht, die in een vleugel van het klooster kamers hadden, elk voorzien van een eigen spiegel en toilet, waar de dames van Letona tijdens de vasten in sessies van drie dagen intern geestelijke oefeningen kwamen doen, en die gedurende het hele jaar door de nonnen verhuurd werden aan ouderen die niet voor zichzelf konden zorgen, of aan zenuwzieken zoals tante Nines, op wie discreet gelet moest worden, zonder ze te kwetsen of ze uit het oog te verliezen, want ze waren nog niet volslagen gek.

Het was opmerkelijk dat we, nu tante Nines weg was, onophoudelijk over haar praatten. Dat deden we nooit toen ze nog bij ons woonde. De beslissing om tante Nines naar de Adoratrices te verhuizen was volgens mijn moeder allesbehalve gemakkelijk geweest: tante Lucía en mijn moeder hadden met dokter Mazarín en zijn assistent overlegd om de voors en tegens die de verhuizing met zich meebracht goed af te wegen. Tante Nines zelf nam geen deel aan de besprekingen, en naar het schijnt ook niet aan de beslissing. Ze zei alleen maar: ‘Alles wat jullie beslissen vind ik goed.’ Volgens tante Lucía een volslagen willoze uitspraak, hoewel die meer dan voldoende duidelijk maakte dat ze uit eigen beweging het huis verliet, dat niemand haar dwong en dat ze uit vrije wil bij de Adoratrices ging wonen, zonder dat iemand haar nadrukkelijk weg wilde hebben. Eenmaal in het klooster stopte tante Nines geleidelijk aan met eten en hield ze op zich voor het leven in het algemeen te interesseren. In november werd er elke middag tijdens de thee, en ook daarna nog, over tante Nines’ koppigheid gesproken. Tante Lucía droeg het volle gewicht van de conversatie en gaf soms de indruk dat ze niet alleen tegen ons sprak, maar ook tegen een samengedromd publiek in een groot theater dat heldere en gedetailleerde verklaringen eiste, een paar octaven hoger uitgesproken dan men gewoonlijk thuis bij de thee deed. Dokter Mazarín en zijn assistent kregen in de loop van december en januari de kwalificaties eminent en stompzinnig, soms zelfs tegelijkertijd. Dokter Mazarín werd uiteindelijk, halverwege de maand maart, in de ogen van tante Lucía een volslagen incompetent man, niet in staat het lichaam van de ziel te scheiden. En dus aan het einde van dat jaar ervoor verantwoordelijk dat tante Nines geleidelijk aan uit wanhoop en neerslachtigheid zelfmoord pleegde, en misschien wel vanuit de wens zich daar, in de dood, te verenigen met de enige geliefde die ze gehad en verloren had, Indalecio. Tante Lucía benadrukte altijd -en mijn moeder stemde daarmee discreet in- dat tante Nines niet gek was, maar even goed bij haar hoofd als ieder van ons. Het bewijs daarvoor was dat ze, toen ze op een ochtend levenloos werd aangetroffen, haar beide ogen veelzeggend open had, strak naar het plafond van haar eenpersoonskamer met eigen toilet gericht, met een uitdrukking van vrede en vertrouwen in wat haar in het andere leven wachtte.

Van het leven hier had tante Nines daarentegen nooit veel verwacht. En daarom was het ook een enorme verrassing toen ze onverwachts de kans kreeg om gelukkig te worden. Haar leven had zich traag voortgesleept, totdat Indalecio verscheen. Ze werden verliefd op elkaar en wilden zo snel mogelijk trouwen. En plotseling was het afgelopen.

Violeta en ik bespraken alles tot diep in de nacht in onze slaapkamer, maar kwamen niet tot een oplossing: dat er een oplossing bestond en dat we daarnaar moesten zoeken, daarover verschilden Violeta en ik van mening ten tijde van die tragische gebeurtenis, nadat tante Nines was ondergebracht bij de Adoratrices. Over tante Nines praten leek voor Violeta geen ander doel te hebben dan het praten zelf. Ik daarentegen -misschien omdat ik twee jaar ouder was- praatte erover om de treurige situatie te veranderen. Maar het treurige was juist dat ze niet te veranderen was, en daarom werd er die winter zoveel over gepraat: want door het treurige te bespreken werd de situatie eigenlijk eerder nobeler en mooier dan triester. Het was opwindend, ook al was het triest, niet alleen in algemene zin maar ook als je de details bekeek. Zo was het om iets concreets te noemen bijzonder triest dat tante Nines niet eens een zus was van mijn moeder en tante Lucía, geen dochter van mijn grootmoeder en grootvader zoals zij. Ze was niet meer dan een stiefzus, de dochter van mijn grootvader en de persoon die hem onderdak verschafte tijdens zijn reizen naar Madrid. Door het ongeluk van Indalecio vernamen Violeta en ik dat feit, dat me tot dan toe onbekend was geweest, want zelfs lang voordat mijn herinneringen zich begonnen te vormen hadden we tante Nines altijd tante Nines genoemd en had ze altijd bij ons gewoond. In de salon hangt een foto met alledrie erop, op het terras voor het huis gezeten, samen met grootmoeder die er van opzij opstaat om haar Griekse profiel beter te doen uitkomen. Tante Nines steekt een beetje boven haar twee zussen uit, ze is wat langer -het is een oude foto-, ze is anders gekapt, anders gekleed, strenger, alsof ze de oudste is, terwijl ze in feite de jongste van de drie was.

Hoe rende Indalecio over het strand! Hij bracht iedereen die zomer in verrukking. Ook ons tweeën, die naar hem toe holden zo gauw we hem ‘s ochtends vanuit de verte het strand op zagen komen, onder het voorwendsel dat we hem wilden vragen hoe laat het was, alleen al om hem te horen vragen: ‘Gaan jullie alweer naar huis?’ Het was opwindend bijna in koor te antwoorden: ‘Nog niet, want het is nog vroeg, we gaan meestal om drie uur pas terug.’ En dan nam Indalecio ons bij de hand, elk aan een kant, en dan zweefden we door de lucht, rakelings over het zand, iets wat voor hem aanleiding was dichter bij onze parasol te komen zitten en met tante Nines langs het strand te gaan wandelen, tot aan de kaap waar het zand ophoudt en de grote rotsen staan. Vervolgens keerden ze heel langzaam terug, allebei hun blik strak naar de grond gericht, hun passen op elkaar afgestemd. Het was opwindend hen te zien vertrekken, uit het oog te verliezen en weer te zien opduiken, duidelijk treuzelend tot het over drieën was.

Indalecio was een aardige jongen, hij was onoverwinnelijk: alleen de zee kon tegen hem op. De zee is altijd verraderlijk, er bestaat geen gemakkelijke zee. Indalecio verdronk doordat hij dat niet in de gaten had, doordat hij zich had laten meeslepen door de opwellingen van de zee, die niet van de zee maar van de mens lijken te zijn. Hoe gezwollener en groener, hoe welsprekender ze lijkt, hoe stommer en dodelijker ze wordt wanneer men zich er eenmaal in bevindt. Indalecio kende de zee heel goed, maar dat baatte hem niet. Hij had een witte zeilboot met een felrode fok, zodat je hem, hoe ver hij ook weg zeilde, altijd in één oogopslag vanuit de uitkijkpost van ons huis van alle andere kon onderscheiden: lange slagen makend om beter te kunnen profiteren van de wind, het firmament, het navigeren, het blauwe licht van de volle zee en de zomer, het avontuur. Maar Indalecio was de mindere van de zee, en daarom verdronk hij. Ondanks de betovering die hij had, zijn pretentieloze ernst. Ondanks zijn lange armen en zijn grote handen, zijn polsen, hoekig van het roeien. Ondanks zijn roestvaste en waterbestendige horloge met zwarte wijzerplaat, dat samen met hem verdronk, maar dat in tegenstelling tot Indalecio niet meer aan de oppervlakte kwam. Onder het beslagen glas bewegen de wijzers zich langs de uren op de bodem, nog steeds weerstand biedend aan het water. Toevallig was tante Nines niet thuis toen het ongeluk gebeurde. Mijn moeder vertelde het haar door de telefoon. Het is bijna onmogelijk een dergelijk bericht goed over te brengen. Mijn moeder vertelde het haar zonder emotie. Het moet voor tante Nines de schrik van haar leven zijn geweest, gezien de apathie die haar daarna overviel en het gebrek aan levenslust dat zich als een steen in haar strot vastzette en haar ten slotte doodde.


Naar de MKW-beginpagina