Alvaro Pombo: De aangenomen zoonUit het Spaans vertaald door Elly de Vries-BovéeIk ben geen uitzonderlijk persoon. Ik ben niet bespiegelend, niet hartelijk, geen studiebol, geen schrijver. Mijn moeder was schrijfster. Ik ben niet zoals zij, niet zo elegant. Ik ben charmant noch elegant. Ik lijk in niets op haar, hoewel iedereen, als ze ons samen zagen, het tegendeel beweerde. Heel ons leven hebben we hier gewoond, in dit huis. Het is net of het pas gisteren was. Jaren en jaren was mijn moeder de enige die er bestond; altijd mijn enige, altijd verstandige, altijd opgewekte metgezel. Het spel van de onzichtbare boodschappen had zij bijvoorbeeld verzonnen. En het feit dat ze schrijfster was nam in mijn gedachten een belangrijke plaats in, de belangrijkste. De toonkamer van mijn ziel. Er leek geen enkele andere vrouw en praktisch geen enkele andere persoon op heel de wereld te zijn behalve zij. En daarna, Genoveva. Schrijven was net zo'n mysterieuze, consistente, complete en dankbare realiteit als mijn moeder zelf, als het kloosterachtige huis en de blauwgroene tuin en de moestuin tegen de helling. Schrijven was: om elf uur in de tuin gaan zitten en daar tot één uur blijven en ten slotte de folio's herlezen, als de oogst van nieuwe aardappelen, die daarna genummerd en opnieuw geteld werden en tersluiks in grote, blauwe dossiermappen werden opgeborgen. En we houden geen cent meer over. Het geld van grootmoeder was niet genoeg voor twee generaties. Het dividend twee keer per jaar. Steeds schraler en met steeds grotere tussenpozen. Niemand kan me geven wat ik niet heb -zelfs de bank van Letona niet. In feite had mijn moeder nooit enig benul van wat iets kostte. Met geld ben ik, vergeefs, voorzichtig geworden, gierig zelfs. Voor mijn moeder was armoe: geen borrel meer nemen en op thee besparen door water te drinken. Sardines uit blik en boerenbrood als hoofdvoedsel. En alleen op feestdagen whisky in huis. Dat zei ze tenminste: dat armoe iets van de vorige eeuw was; een ramp voor de literatuur. Het waren grappen die ik, zonder te weten waarom, niet leuk vond. Op een keer werd ik kwaad en begon ik haar uit te schelden; ik noemde haar een onnozel mens, een schrijfster van likmevestje, slechter dan Rafael Pérez y Pérez. Ik weet niet waarom ik zo kwaad werd en ook niet waarom ik het haar zo kwalijk nam, zelfs niet nadat ik haar om vergeving voor die beledigingen had gevraagd. Vanaf die dag begon het geheimzinnige gedoe rond mijn vader en begon ik haar, heimelijk, te wantrouwen. En ik begon -als gevolg van die toestand, die samenviel met mijn eerste aanval- tijdens mijn herstelperiode ook te schrijven, na het ontbijt, in bed; en voor het avondeten, na de siësta, in de schommelstoel in de tuin, die hele zomer lang. Want de aanval -de eerste en de hevigste- kreeg ik half mei en ik moest rust houden tot de herfst. En toen mijn moeder hoorde dat ik mijn verhaal in het ruitjesschrift bijna af had, zette ze het hoedje van Matías op, versierd met een fazanteveer, en ging naar de winkel om typepapier voor me te kopen, een indrukwekkend dik pak. Ze was drieëntwintig jaar de deur niet uitgeweest. Allebei de kantoorboekhandels waren ervoor nodig. En Genoveva vertelde dat de melkboer die zo kaal is als een biljartbal en zelfs in de kerk zijn pet niet afneemt, dat voor haar op vijfhonderd meter afstand wel deed. Het verhaal heette `Genesis van de schoenlappers, de motten en de kakkerlakken'. En het wordt nog steeds bewaard. Ik heb de indruk dat het altijd winter is. Er is als het ware iets winters -het coloriet misschien, of misschien de geluiden, bepaalde geluiden, de razendsnelle muizen die keer op keer als ronde bolletjes vlak langs de muren van de tuin wegschieten, het rusteloze slaan van de knoestige takken van de platanen, de akoestische achtergrond van de Indische kastanjes, het ragfijne licht dat door de noordoostenwind tegen het vallen van de avond enigszins vervaagt... Ik zei laatst nog tegen Genoveva dat we alles jaren geleden al hadden moeten snoeien. Nu zal de apothekersvrouw furieus worden, zal de Heilige Moeder de Kerk zich ermee bemoeien en zal de loco-burgemeester met me komen praten... Op míjn kosten zal het niet gebeuren; ze kunnen maar beter denken dat ik dood ben en dat alleen Genoveva en de katten er nog zijn. En het dak zou vernieuwd moeten worden. En de wc. En het gras zou opnieuw ingezaaid moeten worden. Het barst hier van de teken. De katten uit de hele provincie komen hier naar hartelust smullen. En de luiken zouden vastgezet moeten worden. Je doet in dit huis geen oog dicht. En de voorgevel bladdert zienderogen af... Genoveva heeft me zojuist mijn broodmaal gebracht. Ze struikelde toen ze binnenkwam. Ze is al bijna een oude vrouw. Het barst hier van de kakkerlakken. Vanmiddag, toen ik wakker werd na mijn siësta, vond ik een lange, zwarte kakkerlak in de omslag van mijn laken. Ik voelde geen walging, maar was eerder perplex, alsof het een zeldzame gebeurtenis was. Het is voor een groot deel mijn eigen schuld, omdat ik paperassen en boeken op de grond laat liggen, stukken brood, vuile glazen. Mijn kamer is al in geen maanden schoongemaakt. En het moet al langer dan een maand geleden zijn dat de lakens vervangen werden. Genoveva zou ervan overtuigd moeten worden dat ik een jonger iemand nodig heb. Maar ík zal niet degene zijn die dat doet. In tegenstelling tot mijn moeder, raak ik steeds meer op Genoveva gesteld; het is een egoïstisch gevoel, het gevoel eigenaar te zijn, dat metterjaren is toegenomen, alsof ik in Genoveva, duidelijker dan in enig ander persoon, weerspiegeld zie dat ik de eigenaar ben van deze tuin, van deze moestuin, van dit huis. En er is nog een verschil tussen mijn moeder en mij, dat metterjaren bijna substantieel geworden is: anders dan mijn moeder bekommer ik me niet in het minst over de publicatie van wat ik schrijf. Nooit corrigeer ik iets. Ik heb het gevoel dat ik schrijf alsof het gedicteerd wordt. Ik herlees nauwelijks wat ik schrijf. Langzamerhand zijn de personen verdwenen, zich verliezend in het landschap, veranderend in voorbijgangers in de late middag, koperkleurig als de beregende velden, de glimmende huizen. Na de dood van mijn moeder had ik geen lezer meer. Schrijven is je, op zeer intense wijze, bewust zijn van jezelf. En het zelfbewustzijn wordt alleen maar bevredigd door een ander zelfbewustzijn. Een dubbelleven. Zoals in de Fenomenologie van de geest: ieder van ons twee zag de ander hetzelfde doen als hijzelf; ieder deed wat hij van de ander eiste, en dus deden we alleen wat we deden voorzover de ander dat ook deed; elk unilateraal handelen zou voor mijn moeder tijdverspilling zijn geweest, aangezien datgene wat moest gebeuren -maar wat kon er eigenlijk gebeuren, vraag ik me nu af; er is helemaal niets gebeurd- alleen maar kon slagen door ons gezamenlijk handelen, ieder voor zich alleen, gedurende een groot deel van de dag en van de nacht, zonder ooit de tuin, de moestuin of het huis te verlaten. Omdat ik geen lezer meer had, zijn mijn verhalen steeds verder afgeraakt van de menselijke gestalte, van de menselijke gevoelens, als de onbruikbare nalatenschap van een ander ras, verworden tot een chaotische hoop documenten, als de sporen van een buitenaards dier. Het is erg koud in huis. De verwarming is al jaren kapot. Eigenlijk geef ik de voorkeur aan de stoof onder de tafel of het elektrische kacheltje. Genoveva komt nauwelijks de keuken uit, na drie uur 's middags gaat ze nauwelijks bij het fornuis vandaan. Ik heb het gevoel omringd te zijn door dieren of voortdurend de silhouetten van reusachtige dieren langs de wanden te zien bewegen. Gisteren was ik bijvoorbeeld vrijwel meteen na het middageten gaan schrijven, zonder eerst op bed te gaan liggen. Het begon al avond te worden. Het was een regenachtige, zilveren dag geweest, met een onwerkelijke dageraad en een traag ondergaande, platina zon, die waterig over de zompige velden scheen. Ik ben gewend om te schrijven aan de grote tafel die vlak onder het raam tegen de wand geplaatst is. Ik hou ervan wanneer alleen het dunne, vochtige glas me scheidt van het fosforescerende duister van de avond en nacht. De hele dag had ik last gehad van mijn rug. De zwakke sporen van het zonlicht waren weggevaagd tot er door het natte glas niets meer doordrong dan het suizen van de wind, als een grote wroetende kever in de bosjes en de braamstruiken. En opeens dacht ik de zee te horen, waarvan het bruisen, twee kilometer verderop aan de andere kant van de heuvel, ons huis nooit duidelijk bereikt. Ik had het gevoel dat de zilte, ijskoude zeelucht mijn longen vulde, als de hese ademhaling van een reusachtige snuit. Ik herinner me dat mijn zinnen zich aaneenregen, zonder aarzeling, zonder adempauze, zo maar uit zichzelf, tot één doorlopend, halfbewust en briljant verhaal. Op dat moment klonk een tik tegen het raam en sloeg ik mijn ogen op. Aan de andere kant van de ruit bewoog zich moeizaam een wit dier voort; net een konijn, maar veel behaarder dan een konijn, een soort enorme cavia met rode ogen. Het leek of hij naar binnen wilde; hij nam de hele opening van het venster in beslag; ik bedacht dat het niet lang kon duren voor het wormstekige kozijn het zou begeven, als hij er tegenaan bleef duwen. Opeens draaide hij zich om en verdween met een sprong, zonder geluid, zonder een spoor achter te laten. Ik besloot er niet met Genoveva over te praten en tot vandaag te wachten. Ik zit al de hele middag te wachten, maar er is nog steeds niets gebeurd. Ik ben tot alles in staat. |