Uit het Spaans vertaald door Paul Menken
Proloog
Dokter Pelcari en de staatssecretaris liepen met snelle pas naar de bomen. Onder de bomen was het donker.
Ze liepen door een tunnel met geel zand en dode bladeren. Links en rechts, op gelijke afstanden, stonden stokken met T-vormige uiteinden, elk met een papegaai, met zijn kettinkje en zijn etensbakje aan zijn voeten. Een paar papegaaien krijsten, doordringend:
`Pri! Pri!'
`Tir!'
`Ziii!'
De dokter bleef staan bij de stokken en las de tekens die in de paal waren gegrift. Ze sprak tegen een papegaai.
`Rig, rig,' zei de papegaai.
De dokter deed de papegaai zijn boeien af en vroeg om een poot; de papegaai gaf die. Ze nam een papegaai op iedere schouder. De linker beet zachtjes in haar oor en trok aan haar haar.
`Nee, papegaaitje,' zei de dokter.
`Zen, zen,' zei de andere papegaai.
Ze liepen verder door de tunnel.
`Zou u me willen helpen?' vroeg de dokter aan de secretaris. `We hebben dertig papegaaien nodig. We zullen nog een paar keer op en neer moeten.'
`Met alle plezier,' zei de secretaris.
De dokter vroeg hem een papegaai te pakken. Die tilde een poot op, daarna de andere en schreeuwde:
`Na! Na! Na!'
Ze liepen de bomentunnel uit en wandelden met de papegaaien over een groen grasveld. Aan het einde daarvan stond het huis, wit en koloniaal.
Ze liepen de trap op naar een ruime kamer met een hoog plafond, waarvan de grote ramen uitkeken op een groene en sponzige zee van bomen.
In het midden van het vertrek lag een aluminium schijf verzonken met een diameter van vier of vijf meter, verdeeld in ongelijke secties, zoals bij een taart. In iedere sectie zat een aantal gaten, die juist groot genoeg waren om het lichaam van een papegaai door te laten. De dokter plaatste de papegaaien in de schijf aan de hand van een schema. De groene en gele kopjes staken uit boven verschillend gekleurde ringen, die de dokter voorzichtig vastdraaide aan de randen van de gaten. De papegaaien mopperden `Star', `Ro, ro', `Dig', `De', maar konden niet ontsnappen.
`Wat zeggen ze?' vroeg de secretaris. `Ik versta er niets van.'
De dokter leidde hem naar een hokje van glas en hout aan de andere kant van het vertrek. Hier stonden twee stoelen voor een bureau met twee beeldschermen en het toetsenbord van een computer. De dokter ging zitten en bood de andere stoel aan de secretaris.
`We gaan luisteren naar vier verzen van Dario,' zei de dokter, `als u dat wat lijkt.'
`Verzen, prachtig,' zei de secretaris glimlachend.
De dokter stopte een diskette in de gleuf en zette een van de beeldschermen aan. Er klonk een `bip' en de dokter begon het toetsenbord aan te slaan. De ringen die de papegaaien bij hun nek vasthielden lichtten zwak op. De papegaaien werden allemaal tegelijk stil.
Jaren geleden had de dokter gedroomd van een verguld en transparant gebouw, in het centrum van een grote stad. Ze had nooit het aantal verdiepingen en vertrekken waaruit het bestond, vast kunnen stellen, maar ze wist dat de aanblik ervan, net als bij de bomentunnel met papegaaien, een illusie van oneindigheid veroorzaakte. De vertrekken, klein maar zeker niet ongerieflijk, stonden slechts door middel van geluid met elkaar in verbinding. Wat de man in het eerste vertrek zei, dat hoorden de man in het tweede, die in het derde, die in het vierde en zo door tot het laatste. De aluminium cirkel met de papegaaien was de droom van dokter Pelcari, aangepast aan de werkelijkheid. Als ze de secretaris ervan kon overtuigen dat de mens woorden nodig had om te denken -dacht de dokter- zou ze misschien het ideaal tot werkelijkheid kunnen verheffen.
De dokter gaf de secretaris een koptelefoon en drukte op de knop control.
`Klaar,' zei ze. `Ze gaan beginnen.'
De lichten van de ringen op de schijf waren gedoofd. Plotseling begonnen ze op te lichten en weer uit te gaan, en de secretaris hoorde:
Maar-on-danks-de-hals-star-rig-ge-tijd
is-mijn-lief-des-dorst-on-ein-dig,
met-mijn-grij-ze-haar-be-geef-ik-me
naar-de-ro-zen-per-ken-in-de-tuin.
De secretaris rilde bij het horen van de laatste, schelle lettergreep. Hij deed de koptelefoon af, stond op en opende de deur van het hokje. De dokter drukte drie keer op de spatiebalk. De papegaaien herhaalden, onberispelijk:
Maar-on-danks-de-hals-star-rig-ge-tijd
Is-mijn-lief-des-dorst-on-ein-dig...
`Het is een helse stem,' zei de secretaris.
`Het zijn papegaaien, wat wilt u?' antwoordde de dokter. `Maar u moet erkennen dat de zinnen duidelijk waren en dat er niet meer dan één stem te herkennen was. Het zijn niet dertig papegaaien die eenstemmig zingen. Het zijn dertig papegaaien die zodanig worden gedirigeerd, dat ze met zijn allen één enkele stem vormen.'
De staatssecretaris keek met samengeknepen ogen naar de dokter.
`En u verzekert mij dat als de papegaaien verstand hadden, ze zouden begrijpen wat ze zeggen? En dat, als ze in plaats van een gedicht een bevel uitspraken, ze dat dan later uit zouden voeren, zonder na te denken?'
`Misschien zouden ze best na kunnen denken,' zei de dokter. Ze haalde haar schouders op en bracht haar hand naar haar hoofd. `Maar alleen tot een bepaald punt, en waarschijnlijk zal men zeggen dat dat in werkelijkheid geen denken is, want ieder afzonderlijk zou slechts over één of twee lettertekens kunnen beschikken.'
De secretaris ging het hokje uit en wandelde nadenkend het vertrek op en neer. Hij stond stil bij de schijf en boog zich om naar de papegaaien te kijken. Hij keerde terug naar het hokje en ging weer naast de dokter zitten.
`Hoeveel individuen zou u nodig hebben om een klein orkest samen te stellen? Met verstand, bedoel ik.'
`Dat hangt ervan af,' zei de dokter terwijl ze opstond. Ze zette het beeldscherm uit en drukte op een paar knoppen. De lichten van de schijf doofden en de papegaaien begonnen hun koppen te bewegen en te protesteren. `Ik zou er een samen kunnen stellen met tien. Maar het aantal bevelen dat ik met hen tot stand zou kunnen brengen, zou hun intelligentie reduceren tot die van een zwakzinnige. Met honderd zou het niveau allicht stijgen. Het zou zijn alsof je een bende wildemannen tot je beschikking had. Met duizend...'
`Zijn er geen grenzen?'
`Waarschijnlijk wel; maar ik zie ze nog niet.'
`Prachtig!' riep de secretaris. `De mannen die ik u ga "uitlenen" zijn, zoals u weet, ter dood veroordeeld, terecht of onterecht, dat weet ik niet. Ik wil ze redden, hoewel het risico dat ik loop als de zaak ontdekt wordt, groot is. Ik doe het niet uit altruďsme. Ik doe het omdat ik niet geloof in de doodstraf. Maar ik geloof wél in de vooruitgang. En ik begin in uw uitvinding te geloven.'
De dokter glimlachte.
`Dank u,' zei ze, `dank u. En u mag ook geloven dat het werk van die mannen haar spoedig ten goede zal komen.'
Bomengevangenis
Dokter William Adie, praktizerend arts en woonachtig in Gallon Jug, sliep de zweterige slaap van de siësta toen het geschreeuw van de kinderen hem wekte. Hij hoorde ze heen en weer rennen, tegenover het oude huis dat dienst deed als hospitaal. Dokter Adie stond op van zijn versleten brits en bracht zijn gezicht naar het gaas van het venster, dat rook naar roest en stof.
`Wat gebeurt daar?' vroeg hij in het Spaans, want deze kinderen waren niet zwart en spraken slecht Engels.
De kinderen antwoordden allemaal tegelijk en dokter Adie verstond niet meer dan drie woorden: `man', `rivier', `dood'.
`Ik kom al.'
Hij maakte zijn gezicht nat bij de waterbak die hij als wastafel gebruikte, trok zijn nog vochtige overhemd aan en liep de veranda op.
De kinderen, met z'n vijven, draafden voor hem uit over het stoffige pad dat naar de rivier leidde. De dokter kende de kinderen, want zo nu en dan kwamen ze naar de kliniek om hem krab te brengen, of vis. De rivier, de Azul, was bruin van kleur. Ze glibberden van de helling onder de brug en liepen een paar meter langs het stinkende slijk van de oever.
Op een kleine open plek tussen de mangroven lag de man, in foetus-houding, bewegingloos en bevangen door de moeraskoorts. Zijn lange haar en zijn naaktheid deden de dokter denken aan een Lacandón-indiaan; maar toen hij hem omdraaide en zijn gezicht zag, oordeelde hij dat het een zieke betrof. Met zijn over zijn buik gekruiste handen hield de man een zwart kartonnen schrift vast, dat de dokter niet van hem af kon pakken.
Met hulp van Dandy Walker, een gespierde neger en de plaatselijke monteur, vervoerde dokter Adie de koortslijder van de rivier naar het hospitaal.
`The nigger sure needs a bath,' zei Dandy Walker, die het schrift uit de omarming van de man los had weten te krijgen en erin begon te bladeren. `Kunt u Spaans lezen, dokter?'
`Een klein beetje,' zei de dokter.
Ze wasten de man in de waterbak van de patio. Nadat hij de wonden en schrammen op de armen en benen van de man had gedesinfecteerd, knipte dokter Adie zijn haar en schoor zijn hoofd.
`Iemand heeft van zijn kop een vergiet gemaakt,' zei Dandy Walker toen hij de serie littekens op het hoofd van de man zag.
Dokter Adie ging het huis binnen en keerde met een oude ochtendjas terug naar de patio.
`Hij deed zijn ogen open,' zei Dandy Walker hem, `maar zodra hij mij zag sloot hij ze weer.'
Ze trokken de man de ochtendjas aan en brachten hem naar een klein vertrek met een brits en tralies voor het venster.
Dokter Adie nam afscheid van Dandy Walker en sloot de deur van het hospitaal. Toen begaf hij zich naar het postkantoor, waar hij een telegram verzond aan dokter Dax, van de neurologische afdeling van het Hospital General de Belice, in Belmopán. Dokter Adie was van plan de zieke naar Belmopán te sturen met het vliegtuigje van de houtmaatschappij, dat alle woensdagen op Gallon Jug landde. Hij zou de nacht door moeten brengen met de zieke, dacht dokter Adie, en dat idee stond hem niet erg aan. De muren van het kamertje waar hij hem in had gezet waren steviger dan die van zijn eigen kamer, maar het zou de zieke niet veel moeite kosten er doorheen te breken als hij agressief werd.
Van het postkantoor ging dokter Adie naar het politiebureau. De sergeant was bezig met het uitroken van een lade van zijn schrijftafel, die was ingenomen door de mieren.
`Hier kunnen we hem niet alleen opsluiten,' zei de sergeant. `Maar in de kazerne hebben ze cellen. Als u een minuut wacht, kom ik met u mee.'
Toen dokter Adie de deur van de kamer van de zieke opende, zag hij hem bij het venster staan, naar buiten kijkend.
`Good evening,' zei de dokter, en vervolgens in het Spaans: `Buenas tardes.'
De zieke draaide zich om. Hij knikte met zijn hoofd en bracht een onverstaanbaar geluid voort.
De sergeant kwam achter de dokter de kamer in.
`U begrijpt me wel, hč? Hoe heet u?' vroeg de sergeant aan de zieke.
De zieke knikte opnieuw met zijn hoofd en boog het naar één kant.
`Hij kan niet praten,' zei de dokter.
De zieke schudde zijn hoofd en deed een stap in de richting van de dokter.
`Yu,' zei hij. `Yu.'
Met zijn rechterwijsvinger maakte hij tekens in de palm van zijn andere hand.
`Wilt u uw schrift?' vroeg de dokter hem.
De zieke knikte van ja.
Dokter Adie ging het schrift halen. Hij zocht in het bureau, in de hal, op de patio, in de badkamer, en vond het niet.
`U zult tot morgen moeten wachten,' zei de dokter tegen de zieke. `Maar ik geef u mijn woord dat u het terugkrijgt.'
De zieke bleef tekens maken met zijn wijsvinger. `Nee,' zei de dokter. `Vandaag niet.'
De zieke sloeg met zijn vuist in zijn handpalm. Hij keerde zich naar de muur en begon daarop met een nagel te krassen. De sergeant naderde hem van achteren.
`Nee!' herhaalde hij, en greep hem bij de pols.
De zieke draaide zich om en duwde de sergeant tegen de dokter aan.
`Take it easy, hufter,' zei de sergeant.
De zieke week naar achter tot zijn rug tegen de muur was gedrukt. De sergeant trok zijn pistool.
`Ik zal hem een kalmeringsmiddel geven,' zei dokter Adie, `en dan nemen we hem mee naar de kazerne.'
De zieke weigerde de tabletten in te nemen, zodat de dokter hem een injectie gaf. Toen vertrokken ze richting kazerne. De zieke liep tussen de dokter en de sergeant in, met zijn armen gekruist, wankelend. Ze staken een soort binnenplaats over met aan het eind een groene barak, toen een reusachtige zwarte hond, vastgebonden aan een mangoboom, begon te blaffen. De deur van de barak ging open en de kapitein, met zijn olijfgroene overhemd half open, verscheen in de opening. De zieke sloeg zijn hakken in de grond, dook ineen en slaagde erin zich los te rukken van de sergeant en de dokter. Hij zette het op een lopen in de richting van de straat en de dokter en de agent renden hem achterna. Ze haalden hem al snel in. De sergeant gaf hem een stomp tussen zijn ribben en de zieke staakte zijn verzet. Ze sleepten hem naar een cel achter in de kazerne.
Van de kazerne ging dokter Adie Dandy Walker opzoeken in zijn werkplaats; hij herinnerde zich dat die het schrift van de zieke had doorgebladerd. De voeten van Dandy Walker staken uit onder het chassis van een oude vrachtwagen.
`Evening, Dandy,' riep de dokter.
De neger kwam moeizaam onder de vrachtwagen vandaan. Zijn gezicht en handen zaten onder het zwarte smeer. De dokter vroeg hem naar het schrift.
`Het is niet te ontcijferen,' zei Dandy Walker, zijn handen afwegend aan zijn broek. `En er missen een paar bladzijden. Ik heb het in de lade van het tafeltje in de hal gelegd.'
Dokter Adie nodigde Dandy Walker uit voor een biertje in de kantine. Daarna ging hij terug naar het hospitaal.
Gegeten en gewassen, stak dokter Adie een gaslamp aan en zette die op het nachtkastje met zijn bril, een vulpen en een plastic kaartenbak. Hij liep naar zijn bureau en kwam terug met het schrift en een klein Spaans woordenboek. Hij legde twee kussens tegen het hoofdeinde van de brits. Hij kroop tussen de lakens, zette zijn bril op, opende het schrift en begon te lezen:
Naar
de MKW-beginpagina
|