Rodrigo Rey Rosa: Na de vrede

De eerste tien pagina's
Uit het Spaans vertaald door Paul Menken


Lucien Leigh

Het was 30 mei 1996, in het dorpje Fernchurch, Engeland. Lucien Leigh, die al meer dan vijfentachtig jaar oud was -bijna de helft van zijn leven had hij doorgebracht tussen vreemden en op afgelegen plaatsen-, bracht zijn hand naar zijn grote linkeroor om er een minuscuul gehoorapparaatje uit te halen, waarzonder hij practisch niets kon horen. Hij ging zitten en bekeek het kleine voorwerp, dat hem dierbaar was als een juweel.
Het was vroeg in de middag en de zon doorbrak moeizaam de uitgestrekte en verveelde grijze wolken. De kleine broeikas, naast het huis, rook naar bloemen. Hij haalde adem, en de geur van de bloemen, die hij zelf had uitgezocht om daar te planten, bracht hem dankbare herinneringen aan verre reizen. Vervolgens -zoals hij wist dat van het ene op het andere moment zou gebeuren- begon zijn geest, hoewel nog scherp voor zijn leeftijd, te vertroebelen. Hij werd duizelig. Wazige herinneringen aan een leven dat hem half eigen, half vreemd voorkwam. Lugubere beelden: doodshoofden, botten, lege oogkassen. Deze misselijkheid, dacht hij, duurt te lang. Hij had zijn ogen gesloten en stak het gehoorapparaat voorzichtig in zijn zak. Hij legde zijn armen op de leuning van zijn rieten stoel, richtte zijn hoofd op. Hij moest de visioenen verdringen, zorgen dat ze verdwenen, dat ze steeds kleiner werden, totdat ze oplosten in een denkbeeldige verte, in een rossig niets dat niet dikker was dan zijn oogleden. Hij wist hoe hij ze moest laten verdwijnen, maar het kostte moeite, zoals wanneer je een bepaalde angst wilt kwijtraken. De maag samentrekken, wachten op de opwelling van het bittere speeksel, dat niet meteen mocht worden doorgeslikt, met de tong tegen het gehemelte klakken, de lucht langzaam door de neus uit laten stromen, en vervolgens rustig slikken. En de beelden vielen uiteen, verstrooiden zich, verdwenen.
Nu kon hij zijn ogen openen. Daar stond, aan de andere kant van het raam, het vertrouwde groene zwingelbord, de voederplaats voor de vogels. Zijn echtgenote, de derde, kwam de kas binnen, en een luchtstroom bracht een kleine variatie in de geuren van de bloemen.
‘Can you hear me?’
Hij kon haar lippen lezen; met zijn hoofd knikte hij van nee. Hij zag hoe de uitdrukking van zijn vrouw veranderde van ongeduldig in kwaad, en toen pakte hij het gehoorapparaatje uit zijn zak en bracht het in zijn oor. Het is een wonderbaarlijke uitvinding, dacht hij. Een van de zeldzame verworvenheden van de wetenschap, waarvoor hij eenvoudigweg dankbaar diende te zijn. Hij had altijd een voorliefde gehad voor slechte verbindingen, slechte wegen... Misschien had hij te lang geleefd: ouder worden was onontkoombaar geweest.
Hij was nog bezig met het inbrengen van het digitale gehoor, dat hem de geluiden zou laten horen zoals vele jaren geleden: van het knisperen van het gravel onder zijn schoenzolen tot het brommen van een vlieg, toen zijn vrouw vervolgde:
‘It’s Emilia... from London... says Guatemala.’
Hij kon niet alle woorden lezen, maar hij had uit de gebaren begrepen dat er iets vreselijks was gebeurd in Guatemala. Het juweeltje zat nu goed in zijn oor.
‘What?’
‘She’s coming to see us,’ zei Nina.
‘Fantastic. When?’
Het bericht was aangenaam, en hij was niet bijzonder verbaasd. Hij en Nina hadden haar meerdere malen uitgenodigd naar Engeland te komen, en nu was ze hier. Guatemala betekende voor hem problemen. Hij had daar zijn eerste echtgenote verloren. Later was op koelbloedige wijze -‘Guatemalan style’- een dierbare vriend vermoord. Brutale wezens hadden zijn belangstelling, maar de brutaliteit in dat land was een onpersoonlijke kracht die zich te pas en te onpas manifesteerde, een kracht buiten de greep van de mensen, onverbiddelijk en belangeloos. Emilia had hen, toen ze haar leerden kennen, een onwaarschijnlijk wezen geleken. Temidden van de soort morele nevel waarin de welgestelde klasse leefde, was zij erin geslaagd het donkere en wrede aspect van haar omgeving te zien, en ze had besloten daar te blijven, met de hoop te kunnen bijdragen aan verandering. Het was noodzakelijk een sterke maag te hebben, dacht ze.
‘Morgenavond is ze hier,’ vervolgde Nina.
Even later ging hij naar zijn werkkamer. Hij moest een recensie schrijven voor The Times, van een boek over antropologie van een Franse auteur dat hij nog niet had uitgelezen. Hoewel het onderwerp (het begrip gastvrijheid in enkele primitieve gemeenschappen) hem interesseerde en het boek doorspekt was van Frans vernuft, viel hij al voor de laatste bladzijde in slaap.

Het gehoorapparaat

I

‘Het is niet alleen dat,’ zei Ernesto tegen Pedro Morán, luitenant bij de infanterie. ‘Het is ook dat deze manier van leven me niet meer bevalt. Ik denk dat ik graag weer zou gaan studeren.’
‘Dat verbaast me niets, sukkel.’ Pedro trok een grimas en dronk zijn glas tequila leeg. ‘Proost dan maar.’ Hij veegde zijn mond af met zijn arm, en riep vervolgens de ober en bestelde nog twee glazen. ‘Ik hoop dat je je vrienden niet vergeet,’ zei hij daarna.
Ernesto keek hem aan met een valse glimlach.
‘Nee hoor, hoe zou ik ze kunnen vergeten?’
Dat was juist wat hij wilde. Pedro, een jeugdvriend, kwam uit een familie van militairen, net als hij. Maar de wapens waren veranderd in een soort erfzonde.
Pedro dronk zijn tweede glas tequila leeg.
‘Je pa zal het niet leuk vinden.’
‘Dat is mogelijk.’ Ernesto nam ook een slok.
Pedro lachte sinister.
‘Ik zeg je dat je altijd een militair zult blijven. Het zit in je bloed. Je bent ertoe veroordeeld!’ Hij schaterde het uit.
‘Ach, niets is eeuwig,’ zei Ernesto.
Pedro was al behoorlijk dronken, hij werd plotseling serieus.
‘Ik betaal,’ zei hij terwijl hij zijn geld telde, en hij legde een paar biljetten op de bar. ‘Maar je bent een ezel.’
In de jeep van Ernesto bleef Pedro praten.
‘In dit land, voor mensen als jij en ik, is de enige plaats waar je rijk kunt worden het instituut. Of de drugs.’
Ernesto stopte de jeep voor de deur van het ouderlijk huis van Pedro, die hem de hand drukte en zei:
‘Ik geloof niet dat jij een verrader bent.’

II

‘En jij denkt,’ zei zijn moeder tegen Ernesto, ‘dat het allemaal zomaar gebeurd is, en dat het niet is gegaan zoals het moest gaan. Je vergist je, jongen. Dat jij de dingen op die manier ziet wil alleen maar zeggen dat jíj ze zo ziet, niet dat ze zo zijn. Ieder hoofd is een wereld, en er zijn oneindig veel werelden.’
Hij lachte, deels om het komische aan zijn moeder, deels om zo te laten zien dat hij het niet met haar eens was.
‘Op die manier,’ zei hij, ‘kan je alles wel verklaren.’
‘Ja,’ ging zij verder. ‘Alles, en nog meer ook. De meest vreselijke dingen die je je kunt voorstellen, alles, absoluut alles gebeurt zoals het moet gebeuren. Het is een onderdeel van het wezen van deze wereld waarin wij leven, dat niets kan veranderen. Je moet het gewoon accepteren.’
‘Zo zie jij het,’ antwoordde hij, ‘maar dat wil alleen maar zeggen dat jíj het zo ziet, dat de wereld binnen jouw hoofd zo is. Binnen het mijne is hij anders.’
‘Dat lijkt me juist,’ zei mevrouw. ‘Zo zal het ongetwijfeld zijn.’
Rosa, de huishoudster, kwam de eetkamer binnen en zette een schaal soep midden op de tafel.
‘Het begin van het probleem,’ zei kolonel Solís, ‘is dat jij als kind Chinese mystiek hebt gelezen.’
‘Praat geen onzin,’ zei mevrouw tegen hem.
‘Goed dan,’ zei de kolonel. Hij keek naar zijn bord soep en ging verder: ‘Je herinnert je je paard wel, Caribeño. Vorige week is hij gestorven.’
Zijn vader had hem dat paard gegeven voor zijn vijftiende verjaardag. Het bericht stemde hem droevig.
‘Waaraan?’
‘Ouderdom. En het pistool dat ik je cadeau deed bij je afstuderen, heb je dat nog?’
Ernesto antwoordde van ja.
Ze aten de soep verder in stilte.
Toen Rosa met het toetje kwam, vroeg mevrouw haar de tv aan te zetten, want het was tijd voor het nieuws. In La Libertad, Petén, was zojuist een klandestien graf ontdekt: meer dan twintig gezinnen waren op niet-officiële wijze geëxecuteerd, waarschijnlijk door leden van de nationale strijdkrachten, en begraven in een put met een doorsnede van twee en een diepte van vijftien meter.
‘Die lui worden gemanipuleerd,’ zei mevrouw. Ze stond op om het apparaat uit te schakelen en ging weer zitten.
‘Zag je dat?’ zei Ernesto. ‘Er lagen daar lijken van bejaarden en kinderen. Baby’s.’
‘Het was oorlog. En het is al meer dan tien jaar geleden gebeurd,’ zei zij.
‘Ze hebben oorlogsmisdaden gepleegd.’
‘Wie ben ik om daarover te oordelen?’
‘Geloof me.’
Vader bleef zwijgen. Hij leek vriendelijk gezind. Zoals de zaken tegenwoordig lagen, zei hij later, geloofde hij dat uit het leger weggaan een goede zet was geweest; en het leek hem prima dat Ernesto weer naar de universiteit zou gaan.
‘Dat heb ik je toch gezegd, Amalia?’ en hij wendde zich tot zijn vrouw. Ze leek op het punt in tranen uit te barsten.
‘Ja, dat is waar,’ antwoordde ze. Ze keek hem even aan met een oppervlakkige tederheid, en zei vervolgens tegen Ernesto: ‘De reputatie van het instituut gaat eraan, met al die schandalen die worden ontdekt. Ik zeg dat ze al te ver zijn gegaan, en dat niet alle koppen die zijn gerold ook schuldig zijn, net zoals waarschijnlijk ook niet alle koppen die schuldig zijn zullen rollen. Je vader is een van de weinigen die niet zijn besmet, hoewel,’ glimlachte ze, ‘het niet veel scheelde. Jij kunt je niet voorstellen wie er allemaal aan de schandpaal worden genageld als heel die kwestie van de vrede is afgerond. Mensen van wie je dacht dat ze onkreukbaar waren. Maar laat dit onder ons blijven, Ernesto.’ Ze sprak zachter: ‘Mensen als kolonel Bonilla, of admiraal Hernández. En de zoon van kolonel Morán, van wie gezegd wordt dat hij aan de drugs is. Ja, jouw vriend Pedro.’
Ernesto knikte met zijn hoofd en mevrouw ging verder:
‘Maar wat ongelooflijk is, is dat van zijn vader. Ze beschuldigen hem van twee aanslagen, heel recent, en het lijkt menens.’
‘Daar weet ik niets van,’ zei Ernesto.
‘Uiteraard niet,’ vervolgde ze, en ze keek haar echtgenoot aan alsof ze hem toestemming wilde vragen om door te gaan. ‘Het is immers een heel delicate kwestie.’
De kolonel, die zijn biefstuk aan het snijden was, zei:
‘Met buitenlanders, ik heb het altijd al gezegd, kan je niet voorzichtig genoeg zijn...’ Hij hief zijn mes even op, en ging weer verder met het snijden van zijn vlees.
‘Wat is er dan gebeurd?’ vroeg Ernesto.
‘Zeg jij het maar,’ zei de kolonel tegen zijn echtgenote. ‘Jij kan het beter vertellen dan ik.’
‘Het gebeurde kortgeleden. De man die de misdaden wilde begaan werd opgepakt, en hij verklaarde dat hij opdracht had van kolonel Morán. Hij is een Israëlische specialist, geloof ik. Of is hij Libanees?’
‘Nee, nee. Israëlisch, Israëlisch.’
‘Juist. Hij deed de autoriteiten zijn opdracht haarfijn uit de doeken. Hij was, zo wordt verteld, guerilla-specialist, door zijn land naar Guatemala gestuurd in het kader van een internationaal hulpprogramma, als adviseur. Blijkbaar was hij hier een paar maanden in dienst, en toen ze hem ontsloegen besloot hij nog een tijdje te blijven, want het land stond hem wel aan.’ Mevrouw keek naar de klok, maakte een berekening en ging verder: ‘De kolonel, zo wordt verteld, bood hem honderdduizend dollar voor het plegen van die moorden.’
‘En wie wilden ze vermoorden?’
‘Dat weet ik niet. Er was iets gebeurd met een vrachtauto van het leger die vermoedelijk werd gebruikt om papaver of cocaïne te vervoeren.’
‘Cocaïne, cocaïne,’ zei de kolonel.


Naar de MKW-beginpagina