|
Uit het Spaans vertaald door Paul Menken
Het meisje was klein en nerveus. Ze sprak Spaans met een Frans accent en het liefst had ze het over boeken. Sebastiaan vond haar interessant, maar al in het begin had hij bij zichzelf gezegd dat deze vrouw niet voor hem was. Door een ruit met rode letters die in spiegelschrift leesbaar waren, was te zien hoe de donkere orkaanachtige regen begon te vallen.
`Bang? Waarom?'
`Om wat je zegt, het huis ligt erg afgelegen.'
`Een beetje, ja. Maar ernaast is een pension. Daar ga ik heen als ik genoeg heb van het eten van mijn kok, of als ik een biertje of een sigaret wil, of alleen maar wat wil praten. Soms kan het alleenzijn je vermoeien.'
Het meisje glimlachte, alsof ze zei: ik geloof je wel.
`Je zult het een fijne plek vinden. In mijn huis is plaats, als je me wilt komen bezoeken, en anders kan je naar het pension gaan. Het eten is er voortreffelijk, en de hutten daar zijn ware staaltjes van houtbewerking. Niet één spijker. Mijn huis is geïnspireerd op enkele ideeën die ik daar zag toegepast. Het gaat erom al het mogelijke te doen opdat je, terwijl je binnen bent, het gevoel hebt buiten te zijn.'
Het meisje keek strak naar het bezinksel in haar koffiekopje.
`Ik zou graag komen, een keertje.'
Sebastiaan draaide zich om en keek naar het verkeer op de avenue onder de regen; hij dacht aan het ruisen van de palmbladeren van het dak van zijn huis als de bries uit de lagune door de vensters naar binnen kwam om door zijn kamer te spelen. Ze zal nooit komen, dacht hij.
`En je vertrekt vanmiddag?'
`Ja.' Het idee om met dit weer te moeten vliegen stond hem niet aan.
De serveerster bracht hun de rekening, en Sebastiaan haastte zich om te betalen.
`Zullen we wachten we tot de regen voorbij is?' opperde het meisje, en ze stak een sigaret op.
`Voor mij nog een koffie,' zei Sebastiaan.
De volgende dag, toen hij zijn ogen opende en zich herinnerde waar hij was, toen hij zijn nog slaperige blik door het vertrek liet glijden, door de transparante muren van zijn muskietennet heen, had Sebastiaan besloten zijn nieuwe bezit van het ene naar het andere eind af te lopen. Terwijl hij het gaas opzij deed om op te staan, de beslissing genomen, dacht hij: ik heb een dwaasheid begaan. De grond die hij onlangs had gekocht aan de andere kant van de lagune bestond voor de helft uit moeras, zodat hij in de regentijd een klein eiland zou hebben, een eiland omgeven door mangroven waarvan het hoogste gedeelte, bevolkt met oude en hoge bomen, als schuilplaats zou dienen voor een fantastische variëteit aan dieren.
De korte reis per sloep naar La Ensenada maakte hem ten slotte wakker. De frisse morgenlucht, de kleuren, de sensatie zich te verplaatsen over het water, zelfs het begeleidende geluid van de kleine motor, maakten hem vrolijk; en desondanks had hij het voorgevoel dat deze dag niet geheel en al plezierig zou verlopen. Hij minderde snelheid, en de kleine aluminium sloep verhief haar boeg. Hij deed haar wenden om verder te varen door een nauwe en kronkelige beek onder de bloeiende braamstruiken. Het was niet eenvoudig om de werkelijkheid -de verstrengelde takken- te onderscheiden van hun heldere weerspiegeling in het water. Nu beschreef de beek haar meest uitgesproken S-bochten, en de lage door de sloep veroorzaakte golven waren al daar, wiegend tegen de struiken op de oever, als de sloep de volgende bocht rondde.
Een zwarte eend vloog op, verschrikt; het leek of hij over het water rende onder het uiten van een schril gekras.
Sebastiaan kwam aan bij La Ensenada, waar de braamstruiken ophielden, en meerde af aan de oever van klei. Daar, vastgemaakt aan een paar wortels die uit de grond staken, lag de kleine zwarthouten prauw van Juventino. Juventino bevond zich een paar meter verderop, gehurkt onder een ceder, waartegen hij zijn geweer had staan. Hij rookte een sigaret.
`Ik hoorde je al aankomen,' zei hij tegen Sebastiaan, en hij blies de rook naar de muskieten die rond zijn hoofd cirkelden.
Sebastiaan beklom de helling met zijn ogen gericht op het geweer. Juventino stond langzaam op.
`Ik ben gekomen om te jagen,' zei hij. `Ik was op weg naar je huis, om je toestemming te vragen. Ik heb gehoord dat deze grond nu van jou is.'
`Inderdaad. Je weet dat ik niemand toestemming geef. Hier jaagt niemand.'
Juventino pakte zijn geweer en legde het over zijn schouder.
`Dat is niet waar. Iedereen jaagt hier!' Hij lachte. `De Cajals jagen hier zonder je toestemming, maar aangezien ik je vriend ben moet ik uit de buurt blijven. Maar als zij hier de pas afsnijden, komen de dieren nooit op de plek waar ik ze mag opwachten. Ze komen hier, want hier kunnen ze bij het water. Als ze bespied worden trekken ze de braamstruiken in,' hij wees met zijn hoofd naar het uitgestrekte laaggewas ten oosten van La Ensenada, `en daar krijgt zelfs God ze niet meer uit.'
`Beter voor hun,' zei Sebastiaan. `Het spijt me, Juventino, maar ik wil niet dat je hier jaagt.'
`Zoals je wilt. We zijn vrienden.' Op de oever was een grote boom omgevallen en half weggezonken in het donkere water. `Kijk, don Sebastiaan. Dat hout. Dat is pucté. Het is zonde. Als het hier lang blijft liggen gaat het rotten.'
Sebastiaan maakte een instemmend gebaar.
`Gebruik het maar, als je wilt.'
`Morgen kom ik het halen,' antwoordde Juventino dankbaar. `Wat zoek je hier eigenlijk om deze tijd? Je zei dat je 's morgens alleen in je schriften wilde werken.'
`Ik ben gekomen om te wandelen. Ik ken mijn bezittingen nog niet zo goed. Ik wilde naar het oog van het water gaan, dat is vlakbij het aangrenzende perceel. Ik ken de weg niet.'
`Als je wilt zal ik hem wijzen.'
Ze begonnen te lopen; Juventino ging voorop over het smalle pad dat door het palmbos kronkelde; heel jonge palmen, nog zonder stam, die oprezen uit de grond bedekt met verrotte bladeren en die de nieuwe veren leken van een monstrueus beest, of volwassen palmen met bladeren als enorme parasols, en palmen als een lancet, met slanke stammen die oprezen als lange visgraten. De lucht rook naar bladgroen en vochtigheid. Het water sijpelde van alle bladeren, van de dikke lianen, van de dwergpalmen, van de paddestoelen in diverse kleuren die groeiden op de bodem of op de stammen van de bomen. Nadat ze vijftien minuten hadden gewandeld waren de twee, ook al liepen ze langzaam, doordrenkt van het zweet.
`Kijk, kijk, rolapen.' Juventino hield plotseling in en dook ineen om ze te observeren; verscheidene takken boven in de bomen bewogen.
`Nee, het zijn geen rolapen,' zei hij, `het zijn boomkatten.' Hij keek naar de grond onder de bomen. `Ssst, stop.' Hij wees naar een paar cactussen, op zo'n twintig meter afstand, en fluisterde: `Dat is een kaaiman.'
`Waar?' zei Sebastiaan. En nadrukkelijk: `Waar is hij?'
Eindelijk slaagde hij erin tussen de bladeren een lichte beweging waar te nemen, en de dikke staart van het reptiel, naast de stam van een omgevallen oude palm. Plotseling, als bij toverslag, verdween de staart.
`Verdomme!' riep Juventino bijna zonder stem, terwijl hij zijn geweer gereedmaakte.
`Juventino, nee!' Maar hij deed niets meer om hem tegen te houden toen hij opstond en achter het dier aan begon te rennen. Hij voelde zich een beetje een lafaard. Na enkele minuten, gegeseld door de muskieten, besloot hij hem te volgen; van afstand, langzaam.
Hij bedacht, zonder te weten waarom, dat iemand hem gezegd had dat het vlees van een jonge kaaiman naar kreeft smaakt. Dat deed hem denken aan een jaren geleden gehoorde uiteenzetting van een oosterse dame over de bezwaren van het eten van kippen in plaats van koeien. Volgens een bepaald principe -dat een verzinsel van de dame kon zijn- waren het leven van een vlieg, dat van een olifant en dat van een dame in beginsel gelijk. Het totaal aantal levens dat werd opgeofferd door iemand die kippen at, was veel groter dan dat dat werd opgeofferd door iemand die runderen at, en derhalve was het karma van de eerste veel kostbaarder. Hij hoorde een schot en begon vooruit te rennen, bevangen door de emotie, als een kind, en door de nieuwsgierigheid. Maar toen hoorde hij nog een schot, en blaffende honden. Gescheld. Nog een schot. Meer stemmen, nu heel zacht, onmogelijk te verstaan gefluister, en het geblaf van meerdere honden die steeds opgewondener klonken.
`Zo, die twee zijn morsdood,' zei een stem die niet die van Juventino was, `en wij kunnen maar beter vertrekken, broer.'
Sebastiaan verroerde zich niet en zijn ogen sperden open van verbazing en angst. Hij stond toe dat verschillende muskieten hem staken, totdat hij opnieuw de stemmen hoorde van de mannen die zich met hun honden verwijderden. Ze hebben er één achtergelaten, dacht hij. Hij hoorde hem blaffen en huilende geluiden maken. Hij naderde voorzichtig de kleine open plek in het palmbos, waar Juventino op enkele passen van de kaaiman lag, elk met een donkerrode ronde wond in het hoofd. De hond was minder geïnteresseerd in de man dan in het grote reptiel. Hoewel hij er niet aan twijfelde dat hij dood was, knielde Sebastiaan neer naast het lichaam van Juventino, hij voelde zijn slaap om de hartslag te meten. Dood, zei hij bij zichzelf. Ik wist dat er iets ergs zou gebeuren. Hij wist dat dit slechts gedeeltelijk waar was, maar wat men zich herinnert lijkt slechts gedeeltelijk op de werkelijkheid. De hond bleef blaffen, met steeds langere tussenpozen; korte blafjes, heel scherp. Zo nu en dan keek hij naar Sebastiaan -die bij de dode bleef zitten- met samengeknepen ogen en een absurde grijns van tevredenheid. Sebastiaan bedekte het hoofd van de dode met zijn hoed, die ondersteboven naast het lichaam was blijven liggen. Vervolgens stond hij op, deed zijn broekriem af en naderde langzaam het kadaver van de kaaiman. Met een snelle beweging slingerde hij de riem rond de hals van de hond, die niet van hem wegliep. `Hup, vriend,' zei hij, verrast bij het zien dat de hond hem zonder enige weerstand volgde, zelfs zonder te blaffen. Hij begon de weg terug te lopen door het vochtige woud. De lianen, de gigantische veren die uit de grond ontsproten, de warme steken van de zon, de wirwar van geluidjes, alles kwam hem enigszins irreëel voor. Wat deed hij hier, met deze zwarte hond ronddravend onder de bomen? Vluchtte hij van iemand weg? Misschien. Hij bedacht met walging dat hij iets moest gaan doen waar hij geen zin in had: een bezoek brengen aan de politiepost van Sayaxché.
`Hup, hond.' Hij liet hem in de sloep stappen. Hij startte de motor en de hond nam plaats in de punt, kwispelstaartend. Toen ze van de beek in de lagune kwamen, gaf Sebastiaan gas. De hond leek permanent te grijnzen, alsof de door de sloep veroorzaakte bries hem plezier verschafte, en zijn jachthondeoren, waarvan er een was aangetast door de schurft, wapperden als vaantjes in de wind. Sebastiaan nam de kortste weg via de Caguamo, een bijrivier van de Amalia, en arriveerde na veertig minuten in Sayaxché. Hij meerde de sloep af langs de enorme prauw van de gebroeders Conusco, die hem daarvoor niets vroegen, en sprong met de hond aan wal. Vier magere honden die vlakbij het water stonden kwamen de zojuist aangekomene besnuffelen.
`Hup, hond.' Sebastiaan trok aan de riem, en de zwarte hond volgde hem onder gekreun. Ze liepen over de met stof en stenen bedekte weg naar het plein met de kerk en de politiepost, en de loslopende honden bleven een voor een achter.
Naar
de MKW-beginpagina
|