|
Rodrigo Rey Rosa: Verloren wraak Uit het Spaans vertaald door
Trijne Vermunt 1 Door het raampje in de hal had het Konijn hem in zijn
auto weg zien rijden en hij lachte in zichzelf. Het is geen echte kerel, dacht
hij. In zijn plaats zou hij geen moment geaarzeld hebben om hem dood te
schieten of met die stok van hem een klap in zijn nek te geven. Waarschijnlijk
was hij het van plan, maar had toch niet gedurfd. Nadat hij bij het raam was
weggegaan, schonk hij zichzelf een glas whisky in bij de minibar die in een
hoek van het vertrek stond en ging weer op de bank zitten. En wat als Juan Luis
alleen maar was gekomen om zijn vermoedens bevestigd te zien, om hem vervolgens
alsnog te laten vermoorden? Ik zal me opnieuw moeten
verbergen, dacht hij vermoeid en herinneringen aan de tijd van de ontvoering
begonnen door zijn hoofd te spoken. Hij voelde zich schuldig, maar slechts tot
op zekere hoogte. Hij had niet gelogen toen hij zei dat het idee van de Verschrikkelijke
was gekomen. Aanvankelijk had het hem geen slecht idee geleken. Zijn
belangrijkste bijdrage had bestaan uit het leggen van contact met Karel de
Grote en de Spaanse Jood, die hij toevallig had leren kennen, de laatste op een
huwelijksfeest en de eerste in een armetierige bar. Hij had zich door jeugdige
overmoed laten meeslepen in het rampzalige avontuur en als die klap op zijn
hoofd een idee van hem was geweest, dan was hij door de tijd zeker veranderd.
Uiteindelijk was hij goed weggekomen. Zijn vrouw was, hoewel geen schoonheid,
buitengewoon goed voor hem en zijn kinderen schonken hem veel plezier, ze
hadden hem de liefde voor zijn ouders en zijn gevoel voor fatsoen teruggegeven. Als Juan Luis hem had durven
vermoorden, dacht het Konijn bitter, was hem in ieder geval de angst bespaard
gebleven die hij voelde bij de gedachte dat zijn ouders of zijn kinderen op een
dag dit verhaal te horen zouden krijgen. Als hij nou nog rijk geworden was…
Maar hij was nog armer dan zijn ouders en dat vond hij het allerergste. Hij was
bereid geweest zich te laten vermoorden, dat realiseerde hij zich nu. Juan Luis
had het niet gekund en het Konijn begreep dat dat niet uit edelmoedigheid was,
maar uit diepe minachting. ‘Hij zou me nog steeds kunnen laten vermoorden,’ herhaalde
hij bij zichzelf. ‘Ik moet alert blijven.’ Hij ging naar de keuken om zijn lege
glas in de vaatwasser te zetten en hij zei tegen het dienstmeisje: ‘Chi yoo sa li tenamit.’ ‘Us,’ antwoordde zij zonder haar ogen van de snijplank af te
wenden, waarop ze een kip aan het plukken was. Het Konijn verliet zijn huis en
ging lopend naar het centrum van het dorp om te gaan bellen bij een van de
openbare telefoons in het portaal van het gemeentehuis. Hij draaide het
netnummer van Cobán en vervolgens het nummer van een bar bij de afslag naar
Carchá, die van Karel de Grote was. ‘Ben jij dat, kerel?’ riep deze
uit. ‘Wat een verrassing om je te horen. Er moet iets vreselijks aan de hand
zijn, dat jij me belt,’ grinnikte hij. ‘Raad eens wie er vandaag bij mij
langskwam.’ ‘De Spaanse Jood,’ zei Karel de
Grote onmiddellijk en het Konijn hoorde zijn stem overslaan. ‘Warm,’ zei het Konijn. ‘Juan
Luis.’ ‘Luna?’ ‘Ja, natuurlijk Luna.’ ‘En? Wat wilde hij?’ ‘Ik weet het niet. Ik wilde vragen
of hij niet ook bij jou is geweest.’ ‘Nee. Ik wist niet eens dat hij in
de buurt was. Woonde hij niet in Afrika?’ ‘Hij is al een hele tijd geleden
teruggekomen.’ ‘En hoe heeft hij jou gevonden?’ ‘Via mijn ouwe moeder.’ ‘Had je haar dan niet
gewaarschuwd?’ ‘Jawel, zo ongeveer, maar ze is al
niet meer zo helder, het arme mens. Luister, ik denk dat die man iets aan het
bekokstoven is. Ik heb zo’n idee dat hij de rekening wil komen vereffenen, na
al die tijd. Dat met zijn voet…’ ‘Zoiets vergeet je niet zomaar.
Maar wat doen we eraan?’ ‘Op onze hoede zijn en met elkaar
in contact blijven. Ik zal eens bij mijn vrienden uit de hoofdstad informeren
of onze naam niet voorkomt op een arrestatiebevel of zoiets, je weet wel.’ ‘Goed, hou me op de hoogte.’ ‘Jij mij ook. Het belangrijkste is
dat we ons niet laten verrassen.’ ‘Even iets anders, hoe is het
verder in Salcajá?’ ‘Goed,
dank je. En bij jou in Cobán?’ ‘Gaat wel. Ah, kijk, daar komt don
Chusito binnen en hij wil een biertje bestellen.’ ‘Nou, dan hang ik maar op,
ondankbaar stuk vreten.’ ‘Dag Konijn, bedankt voor je
telefoontje.’ Het was vreemd, dacht het Konijn
terwijl hij van het gemeentehuis naar de bar vlak bij het plein wandelde, hoe
ze met elkaar verbonden waren: wat losse eindjes die op goed geluk slordig aan
elkaar geknoopt waren. Karel de Grote. Juan Luis. Die vervloekte Spaanse Jood.
Die zou hij wel willen vermoorden, hoewel er bij hem geen geld meer te halen
viel. Hij dacht even aan zijn kinderen.
Hij had ze een goede opvoeding willen geven; willen verhuizen naar Mexico-Stad,
om maar iets te noemen, of naar Buenos Aires, zoals altijd zijn droom geweest
was, in plaats van naar Salcajá. Hij ging de bar in, liep naar de
toog en bestelde een koud biertje. Hij dronk het aan de bar op, betaalde en
ging terug naar het portaal om nog een telefoontje te plegen, deze keer naar
een advocatenkantoor in Zone 4 van de hoofdstad. ‘Pedro, hoe is het met je?’ ‘Ha, Konijn. Wat is er, zit je
weer eens in de nesten?’ ‘Ja eigenlijk wel, luister.’ ‘Wat nu weer?’ ‘Je herinnert je die ene cliënt
wel, zijn naam doet er niet toe, van zowat elf jaar geleden.’ ‘Nee toch! Wat is er met hem?’ ‘Hij kwam me opzoeken, hier in
Salcajá.’ ‘En wat wilde hij?’ ‘Praten.’ ‘Waarover?’ ‘Over wat er gebeurd is.’ ‘En jij hebt hem dat plezier
gedaan.’ ‘Eh, ja.’ ‘Maar wat ben je voor een idioot,
man! Vanwaar bel je me nu?’ ‘Vanuit Salcajá.’ ‘Niet vanuit je huis, mag ik
hopen.’ ‘Nee, ik
sta bij het gemeentehuis.’ De advocaat hing op, of de
verbinding werd verbroken, het Konijn wist niet goed wat. Hij belde opnieuw. ‘Ik ben niet in de stemming voor
grapjes, meneer.’ De advocaat hing weer op. Die maandag reisde het Konijn
onder het mom van een bezoek aan zijn moeder naar de hoofdstad. Hij belde de
advocaat op vanaf busstation Galgos en ze spraken af in een bar in de
Rubiosteeg, dicht bij het Palacio Nacional. De advocaat wachtte op hem aan een
tafeltje voor twee naast de deur, onder een tl-buis. Zijn huid was vettig en
bleek, hij had vissenogen en zijn dunne snor gaf hem iets geslepens, iets berekenends. ‘Hallo, slimmerik,’ zei hij. Het Konijn zette zijn reiskoffertje
op de grond en ging met een schuldig lachje zitten. De advocaat siste: ‘Hoe vaak heb
ik je niet gezegd dat don Luna het er niet bij zou laten zitten, Konijntje. Tot
op de dag van vandaag reizen er continu geheim agenten naar Salcajá en Cobán.
Jij en Karel de Grote worden beter in de gaten gehouden dan ik. Die ouwe is het
betalen nog lang niet beu, al was het maar om met genoegen te kunnen
constateren hoe weinig mensen veranderen. Ik durf te wedden dat hij weet welke
hoeren je in Las Flores hebt geneukt. Hij kan, wanneer hij maar wil, besluiten
dat het welletjes is. Ik veronderstel dat hij tot nu toe geen afdoend bewijs
heeft gehad om te doen wat hij zou willen. Maar als je zijn zoon hebt verteld
dat…’ ‘Ja,’ gaf het Konijn toe, ‘ik ben
stom geweest. Maar hij wist het al.’ ‘Je kunt er donder op zeggen dat
alle openbare telefoons van Salcajá afgeluisterd worden. Je hebt jezelf
verraden, Konijntje leeghoofd.’ ‘Even serieus, rotzak. Wat moet ik
nu?’ De advocaat lachte. ‘Jezelf verdedigen, jongen, jezelf
verdedigen.’ Ze dronken van hun biertje. ‘Verstop je een tijdje,’ raadde de
advocaat hem aan, ‘maar wel meteen.’ Het Konijn
keek naar zijn koffertje, waar hij slechts twee schone onderbroeken in had
zitten, en de gedachte dat hij een tijdje niet naar huis zou kunnen gaan
deprimeerde hem. Hij zou zich niet te pakken laten nemen, niet nu. De wetten
waren veranderd. Tegenwoordig konden ze hem terechtstellen voor iets dat hij
tien jaar eerder had gedaan. Dat was in zijn ogen onrechtvaardig. Hij moest
Karel de Grote waarschuwen; het zou hem slecht uitkomen als die een misstap
maakte. Hij zou hem bellen als hij de bar verliet, dacht hij. ‘Heb je geld om rond te komen?’
vroeg de advocaat hem. ‘Nee.’ ‘Dan ben je echt de lul.’ ‘Kun je me een paar centavos
lenen, wijsneus?’ ‘Een paar dan. Maar je weet, met
rente.’ ‘Bedankt.’ ‘Kom straks even langs mijn
kantoor. En pas op dat je niet gevolgd wordt.’ Hij liet een briefje van vijf quetzal
naast zijn lege glas achter, stond op en nam afscheid. Het Konijn liep de Rubiosteeg uit
naar de Calle 9 met zijn koffertje in de ene hand en zijn andere hand in zijn
zak, waar hij twee muntjes van 25 centavos had zitten. Hij stak de straat over
en liep naar een openbare telefoon die zich bij de deur van een bakkerij
bevond. ‘Karel de Grote? Luister, het
lijkt erop dat er gevaar dreigt. Tante is ziek en het is besmettelijk. Ze moet
naar de dokter gebracht worden. Oké?’ ‘Oké.’ ‘Even op vakantie dus,
onmiddellijk.’ ‘Vakantie?’ ‘Ja. Va-kan-tie.’ Vervolgens belde hij naar zijn
huis in Salcajá. ‘Hallo moppie. Ik heb slecht
nieuws voor je.’ ‘Wat is er gebeurd?’ ‘Mama is ziek. Ik blijf een paar
dagen hier om haar zoveel mogelijk te helpen. En alsof het al niet erg genoeg
is, is haar telefoon ook nog eens stuk. En het kan zijn dat ik voordat ik
terugkom een reisje naar Cobán moet maken. Er is wat grond te koop en ik heb
vandaag met een potentiële koper gepraat. Ik wil de commissie opstrijken.’ ‘Laten we het hopen, schat.’ ‘Ik bel je dus nog. Een kus voor
de kinderen.’ De advocaat overdreef, dacht het
Konijn, toen hij vooraan in de Pullmanbus van Monjablanca zat die ’s nachts met
veel lawaai voortreed richting El Rancho, waar hij zou afslaan om door de
bergen verder te rijden naar Salamá en Cobán. Hij had best tijd gehad om terug
te keren naar Salcajá voor wat spullen om deze reis te maken zoals het een
fatsoenlijk mens betaamt, zei hij onbewogen tegen zichzelf, terwijl hij strak
naar de streep licht keek die de bus op de weg wierp. Toen hij op het grote plein van
Cobán uitstapte was het bijna middernacht. Hij liep meteen door de Calle
Empinada, die afliep in de richting van het Hostal van Acuña, waar de bedienden
hem nog kenden uit de tijd dat hij -terwijl hij zelf nog herstellende was van
de explosie die de Verschrikkelijke en de Tapir het leven had gekost- Karel de
Grote was komen opzoeken. De laatste -die uit een zeldzame loyaliteit een
boodschapper naar het Konijn gestuurd had toen hij vernam dat deze nog leefde
en in het ziekenhuis lag- had hem een vijfde van zijn deel van het losgeld
gegeven. ‘Per slot van rekening,’ had het Konijn, die evenmin begreep waarom de
Spaanse Jood een deel aan Karel de Grote had gegeven, tegen zichzelf gezegd,
‘heb ik contact met hem gelegd.’ Hij had een maand in Cobán doorgebracht en hij
had zelfs overwogen om er te blijven wonen, ook omdat hij zich schaamde voor het
litteken dat dwars over zijn slaap liep. Maar hij had zijn echtgenote leren
kennen, die eigenaresse was van twee huizen en een graanpakhuis in Salcajá, en
dat had zijn leven veranderd. Efraín -een jonge Kekchí die het
ene jaar protestants was en het volgende maar weer katholiek werd- gaf hem
kamer nummer één, waar een tweepersoonsbed stond in plaats van een stapelbed. ‘Er zijn geen toeristen, er zijn
geen toeristen,’ zei hij. ‘Vandaag is het precies een jaar geleden dat ze in
San Cristobál die Amerikaanse gelyncht hebben, en dat zijn ze aan het vieren.’
Hij lachte. ‘Serveren jullie nog steeds
ontbijt?’ ‘Natuurlijk.’ ‘Graag om acht uur dan,
alsjeblieft.’ ‘Luvia zal het u brengen.’ ‘Werkt ze hier nog steeds?’ ‘Ja, nog
steeds.’ Hij trok eerst een serieus gezicht en vervolgens glimlachte hij. ‘Dat doet me deugd,’ zei het
Konijn en hij ging op het bed zitten. ‘Goedenacht, meneer.’ Efraín deed
een stap terug de gang op om de deur dicht te doen. Het Konijn ging aangekleed op bed
liggen en even voelde hij zich veel jonger dan hij was. Het deed hem goed van
zijn gezin weg te zijn, ook al was het maar voor een paar dagen. De massa
herinneringen die het bezoek van Juan Luis had opgeroepen, had hem teruggebracht
naar zijn geestestoestand van elf jaar geleden. Hij kwam half overeind van het bed
om bij zijn koffertje dat op de grond stond te kunnen en er een plastic zakje
uit te halen waarin hij marihuana bewaarde. Vervolgens nam hij uit zijn
portefeuille een vloeitje. Hij verwijderde geduldig en vakkundig de takjes en
zaadjes en draaide een stickie. Hij stond op en zette het raam half open om de
zaadjes en takjes weg te gooien en de rook naar de achtertuin te verdrijven. Zich verdedigen, had de advocaat
gezegd; het was het enige wat hij kon doen. De bittere smaak van gefrustreerd
talent trok door zijn keel, terwijl de marihuana die hij rookte hem liet
dagdromen over nooit waargemaakte plannen. ‘Och,’ zuchtte hij terwijl hij de
peuk waaraan zijn vingers zich begonnen te branden, uitmaakte. Hij verkruimelde
hem en gooide hem uit het raam. Zo was het leven. Wat een mazzelaar was Luna. Hij
was nagenoeg dood geweest, maar nu leefde hij en hij had niet alleen geld zat
en een mooie vrouw, maar was ook nog eens schrijver en was boven iedereen
verheven. De minachting die hij had uitgestraald in de paar minuten dat zijn
bezoek geduurd had! Maar het Konijn werd nog het meest gekrenkt door de
gedachte aan de bewondering die hij had gevoeld voor Juan Luis, toen deze hem
met zoveel zelfbeheersing vragen stelde over de details van de ontvoering, door
de gedachte aan de wijze indruk die deze op hem gemaakt had. ‘Hij zal ons niet laten vermoorden
-en rond zijn mond vormde zich een grimmig lachje-; nu kan hij ermee volstaan
ons te laten arresteren.’ In de
hoofdstad had het Konijn, nadat hij naar Salcajá gebeld had, een taxi naar het
huis van zijn moeder genomen, dat in Ciudad Vieja stond. Hij had een sleutel
van de tuindeur, zodat hij zonder aan te bellen naar binnen kon. Aangezien het
twaalf uur ’s middags was, was de tuinman er niet en het Konijn maakte van de
gelegenheid gebruik om te doen waarvoor hij gekomen was. Hij ging de garage in,
waar het telefoonkastje stond, tilde het ijzeren deksel op en stak zijn hand in
het kastje om een van de kabels los te maken. Vervolgens liep hij terug naar
het huis en ging door de voordeur naar binnen terwijl hij riep: ‘Hallo, mama!
Waar ben je?’ De oude vrouw kwam de keuken uit
met een stralende glimlach en beslagen brillenglazen. ‘Mijn jongen, wat een verrassing.’ Het Konijn legde zijn handen op
haar schouders en drukte haar een kus op het voorhoofd. ‘Hoe gaat het met je? En met
papa?’ ‘Ach, je weet het wel zo ongeveer.
Hij ligt weer op bed. Zijn depressie.’ ‘Oh.’ ‘Wat brengt jou hier?’ ‘Zaken. Ik zal naar Cobán moeten.
Er is een stukje grond te koop en ik heb een klant die daar wel interesse in
heeft. Ze hebben me commissie aangeboden.’ ‘Wat ben ik daar blij om, mijn
jongen. Wat een tijden, nietwaar… Alles is ongelooflijk duur. Hoe lang houdt
een mens dit vol? Ik maak me veel zorgen over jullie. Vooral over de kinderen.’ ‘Niet zo tobben, mama. We komen er
wel uit, beetje bij beetje. We zouden het slechter kunnen hebben.’ ‘Jammer dat je de kinderen niet
hebt meegenomen. Ik had voor ze kunnen zorgen terwijl jij naar Cobán ging. Ze
weten waarschijnlijk niet eens meer wie ik ben. Ze moeten zoveel gegroeid zijn
dat ik ze misschien niet eens meer herken.’ ‘Natuurlijk weten ze nog wie je
bent. Maar je hebt gelijk, ze groeien ontzettend snel. Volgende keer neem ik ze
mee.’ De oude vrouw keek op haar horloge
en liep naar de keuken. Het tweepersoonsbed in het
Hostal van Acuña was versleten, waardoor hij verschillende keren moest gaan
verliggen voordat hij lekker lag en eindelijk in slaap viel. Om acht uur, toen
Luvia met het ontbijt aan de deur stond, was hij al gewassen en aangekleed,
klaar om te vertrekken, maar door de zenuwen had hij geen honger. ‘Goedemorgen, don Armando,’ zei
Luvia tegen hem, stralend als altijd. Ze had slechts een paar grijze haren en
haar huid leek nog steeds die van een jong meisje. ‘Dat is lang geleden.’ ‘Hoe is het, Luvia? Ik ben blij je
te zien.’ ‘Blijft u een paar dagen?’ ‘Nee, ik vrees van niet. Ik ga
samen met Karel de Grote een reisje maken om een paar stukken grond in de buurt
van Yalpemech te bekijken.’ ‘U reist ook altijd het hele land
door, nietwaar? Ik zet dit hier voor u neer.’ Het Konijn dronk haastig zijn
sinaasappelsap, at een halve in koffie gesopte mollete op. Vanuit de receptie bereikte hem de
stem van mevrouw Acuña, die net in het pension was aangekomen. Het Konijn, dat
geen tijd wilde verliezen aan een begroeting, wachtte eventjes totdat ze
doorliep naar de keuken, zoals haar gewoonte was, en ging vervolgens van zijn
kamer de gang op. Hij betaalde voor zijn overnachting bij Julián, de jongere
broer van Luvia, wiens beurt het was om aan de receptie te zitten, en ging met
zijn koffertje de straat op. Hij liep in ras tempo door het lage deel van de
stad tot aan de uitvalsweg naar Carchá, waaraan de bar van Karel de Grote lag. Toen het Konijn bij de bar
aankwam, verdween een kind van een jaar of tien, dat achter de toog stond,
rennend door de deur naar de patio, terwijl het riep: ‘Papa, papa!’ De vrouw
van Karel de Grote, die een nicht van Luvia was, kwam uit een van de vertrekken
aan de andere kant van de patio en liep naar de bar toe. ‘Komt u verder, don Armando.’ Het Konijn volgde de vrouw naar
een donker kamertje waar Karel de Grote op de rand van een opklapbed zat, met
een volle reistas aan zijn voeten. Het Konijn ging naar hem toe om hem de hand
te schudden en zette zijn koffertje op de grond naast de tas. Karel de Grote
zei: ‘Een van mijn kinderen kwam net met het nieuws aanzetten dat de
recherche…’ Hij beschreef met een vinger een cirkel. ‘Ik ben benieuwd of het
ons nog lukt te ontsnappen.’ ‘Is het veilig?’ Maar Karel de Grote was al
opgestaan en pakte zijn tas. ‘Wegwezen,’
zei hij. Waarom vragen waarheen, zei het
Konijn bij zichzelf, en hij pakte zijn koffer om Karel de Grote, de indiaan, te
volgen. Twee andere kinderen die in de hal op hem leken te staan wachten om de
straat op te gaan, renden voor hun vader uit. Ze leken eerder vrolijk dan bang. In een rijtje, de kinderen eerst,
dan Karel de Grote en het Konijn, liepen ze over de stoep. De kinderen renden
vooruit en op de hoek stopten ze om naar links en rechts te kijken en ze kwamen
terug om de volwassenen te gebaren dat ze door konden lopen. Zo liepen ze
straat in, straat uit tot aan het bruggetje van Chamelco, waar een oude
Landrover op hen stond te wachten, die werd bestuurd door Sean Acuña, de zoon
van de hoteleigenaars. ‘Maak dat je snel wegkomt,
jongens,’ zei Sean hen. ‘Er is overal politie.’ Karel de Grote en het Konijn
stapten in de jeep. De kinderen bleven zwaaiend naar hun vader achter en
verdwenen uit het zicht toen Sean afsloeg om de brug over te gaan. ‘Wat een schoffies, die kinderen
van je,’ zei het Konijn. Sean lachte. ‘Dat klopt, het zijn echte
vlegels.’ Karel de Grote bleef serieus, met
zijn blik strak op de weg gericht. Sean legde het Konijn uit dat hij een paar
maanden eerder ruzie met zijn ouders had gehad en dat hij niet meer in het
hotel werkte. Nu verdiende hij zijn brood met het vervoeren van toeristen naar
afgelegen plaatsen in zijn jeeps. Hij had nog een andere Landrover met een chauffeur
en twee medewerkers. ‘Ik mag niet klagen. Ik hou van
deze wegen, en hoewel toeristen me de keel uithangen, zijn de mensen in de
dorpen waar ik ze naartoe breng meestal vriendelijk, en omdat ik hun handel
bezorg, denken zij ook niet slecht over mij. Meer vraag ik niet.’ Wat later zei het Konijn tegen
Sean: ‘En wat zijn de plannen, baas, waar breng je ons heen?’ ‘Naar Sebol, voorlopig.’ ‘Wat leuk. Sebol is mooi.’ Het Konijn ontspande zich. Zijn
lichaam zonk tussen de twee anderen weg in een doffe apathie en zijn geest was
vrij van onrust, terwijl zijn ogen het landschap van ronde, met mos en nevel
bedekte bergen opnamen, die zo van een Chinese aquarel leken te komen, en de
Landrover over de smalle weg stuiterde. Af en toe moesten ze stoppen en aan de
kant gaan, tegen de bergwand of aan de rand van een afgrond, om een ander
voertuig te laten passeren. |