Pedro Zarraluki. De kikkerwachter


Er zijn veel dingen die ik nooit heb kunnen begrijpen, maar één van de onverklaarbaarste is wel hoe ik in godsnaam de verantwoordelijkheid over deze smerige kikkers heb gekregen, terwijl ik me juist had voorgesteld een opwindend leven te leiden. Op een regenachtige avond, toen ik de televisie inschakelde en een interview zag met een schrijfster die een wedstrijd voor pornografische poëzie had gewonnen, begon het bergafwaarts te gaan. Het was een rotavond. Het regende dat het goot en mijn paraplu kon geen redding bieden tegen het gespetter van de dikke druppels die aan alle kanten uiteenspatten. Ik hurkte neer tussen een hangend laken en de bloembak van de bougainville, maar het regengordijn maakte het me onmogelijk de schrijfster goed te zien. Haar woorden bereikten me echter als die van een lachende godin in het gebulder van het onweer. Ze zei dat wellust tot in het uiterste doorgevoerde berusting was, en verder dat echte intelligentie tot slechtheid leidde. Ik bedacht me dat haar filosofie, hoewel die tegengestelde ideeën verdedigde, uiteindelijk net zo goedkoop was als die van mijn uitgever, en voelde me dubbel zo neerslachtig. Je kunt niet zo neerslachtig zijn als ik die avond was. Daarom was ik de televisie op gaan zoeken in haar ballingsoord in de tuin. Ze was tussen de rozestruiken neergezet, met een klein eternieten afdakje dat beschutting bood tegen weer en wind. Ik vond het een rustgevende gedachte dat ze daar stond, zwevend tussen de wanorde van de welig tierende lelies. 's Avonds schakelde ik vaak de tv in om te kijken naar haar flikkeringen in het donker. De tuin werd dan verlicht met een schijnsel vol weifelingen en wanneer je de ramen opendeed, hoorde je tot in het huis het vage geluid van verre stemmen. We weten allemaal dat je maar een televisie hoeft neer te zetten, of een woestijn is geen woestijn meer -vooral als het een tv met afstandsbediening is-. Vandaar dat ik die avond, toen ik het niet langer uit kon houden met mezelf, mijn paraplu pakte en televisie ging kijken. Ik wist dat je niet zo doodongelukkig kunt zijn als ik me voelde, maar dat troostte me niet. Ik zou ik weet niet wat gegeven hebben voor een tranquillizer, en daar kwam nog eens bij dat de regen met een tropische felheid uit de hemel viel. Opeens bedacht ik dat ik ieder ogenblik aangevallen kon worden door een krokodil, en ik dacht aan de overstromingen waardoor auto's meegesleurd worden alsof het speeltjes zijn, en aan de mensen die op hun daken staan te zwaaien naar de helikopter van het televisiejournaal, en aan de op drift geraakte koe met haar maag opgezwollen als een wijnzak. Daaraan dacht ik allemaal terwijl de schrijfster beweerde dat slechtheid, als het al niet wat anders was, in ieder geval grappig was. Ze zat er heel gemakkelijk bij in haar rieten stoel, met in de ene hand een whisky en in de andere een sigaret. En ik ondertussen op mijn hurken in die stortbui, op mijn hurken met mijn depressie en verdomme zonder slaappil om in te nemen. Zonder zelfs zo'n stompzinnige hond die met zijn staart kwispelt als hij me aan ziet komen. Het ging zo hard regenen dat de druppels van kristal leken en de stem van de televisie wegviel in het lawaai. Dat deed de deur dicht. Ik liet de paraplu los, nam de televisie onder de arm, en terwijl ik het snoer uit de grond trok, rende ik naar het huis. Toen ik binnen was, zette ik het toestel op de grond en had ik net genoeg tijd om de schrijfster te zien, die naar de camera knipoogde en haar mond eventjes opende, alsof ze iets op ging zuigen en zich onmiddellijk bedacht. Plotseling liet de televisie een lange fluittoon horen, gevolgd door een geruis dat langzaam wegstierf, en het beeld verdween voorgoed. Je kunt niet zoveel redenen hebben om zo totaal neerslachtig te zijn. De stortregen, die zo te horen inmiddels wel hagel moest zijn, die stompzinnige hond, die koppig weigerde te bestaan naast mijn stoel, en de televisie die mij, toen ze uitging, achtergelaten had in aanschouwing van het niets. Het mooie van Russo was dat op zulke extreme momenten de bel ging en hij kwam opdagen, met altijd zijn draagbare decor van verzoening met het leven bij zich. Die avond bracht hij een kilo Caribische limoenen en een fles cachaza mee. De dingen om mij heen stortten niet langer in, en de wereld werd opnieuw een onsamenhangende, bewoonbare plek.

De schrijfster was Laura. In die tijd had ik haar nog niet gevraagd met mij te trouwen. Russo had haar nog niet geschilderd en de Stijfkop hield haar nog niet in de gaten. In die tijd verveelde ik me alleen maar in de wat klamme verlatenheid van het platteland, in de overtuiging dat ik gelijk had, hoewel alles er op wees dat dat niet zo was. Waarschijnlijk was de plek waar ik was gaan wonen te dicht bij Barcelona, maar het begon al moeilijk te worden om een eind de ene stad uit te gaan zonder in de buitenwijken van een andere terecht te komen. Hoe dan ook, vanuit mijn tuin zag ik in de verte, boven de chemische fabrieken, het nevelige silhouet van de bergen. Hoewel je ze het grootste deel van de dag slechts bij intuïtie kon ontwaren tussen de rook en de nevel door, was dat beeld van ronde kolossen al voldoende om mij weer een heimelijk gevoel van blijdschap te geven. Maar ik wil niet verzanden in warrige uitweidingen, want ik ben aan de keukentafel gaan zitten om te vertellen hoe het bergafwaarts is gegaan met mij. Even een zijsprongetje, enkel en alleen om uit te leggen dat het een inbouwtafel is, en als ze niet altijd propvol lag met dagelijkse levensbehoeften, zou ze opgeklapt kunnen worden om het schilderij dat ze verbergt te aanschouwen. Het gaat om het portret van Laura dat Russo geschilderd heeft toen hij haar nog maar amper kende en dat hij de titel gaf Het lijkt wel of L. iets heeft vergeten, omdat zij er op staat met die rusteloosheid die haar soms halverwege de gang overviel. Russo maakte een fantastisch schilderij, en dat ik het onder tegen de tafel heb gehangen, was omdat ik niet kon voorzien dat deze altijd uitgeklapt zou staan, en omdat de lijst -die, als je het tafelblad naar beneden klapt, loskomt van het schilderij en de functie van de poten vervult- precies de afmetingen had van het spanraam. Russo protesteerde enige tijd, maar wende er uiteindelijk aan. Wanneer hij zijn schilderij wilde bekijken, ging hij onder de tafel liggen, vloekend op de koppigheid waarmee het licht in een rechte lijn valt. Ik moet, ter ere van Russo, er duidelijk bij zeggen dat er over een keukentafel een rood-wit geblokt kleed kan liggen en dat er een vaas vol seringen op kan staan, maar dat het ook onze keukentafel kan zijn. Op dit ogenblik, om maar eens een voorbeeld te noemen, ligt er een fitting, waaruit dreigend de resten van een kapotte lamp steken; een plastic bloempot met een verdord stekje en een paar zakjes zaad van goudsbloemen, margrieten en spinazie; een met een elastiekje bijeengebonden stapeltje ansichtkaarten, waaruit een postzegel steekt met een turner die een breedtestand maakt in de ringen; een steeksleutel no. 12-13 op een wit porceleinen bord waarvan de rand versierd is met piepkleine tekeningetjes, miniaturen bijna, van de scheve toren van Pisa, de Big Ben, de Eiffeltoren, de piramiden, de kolossus van Rhodos (?), en een miniem stukje van de Chinese Muur; een ander bord, van messing, met een homp bacon en een appel erop; een kaartspel waarvan alle kaarten getekend zijn door het lot en de tijd; een stokbrood met een mes erin; een paar door het zuur uitgezette batterijen, die in een cirkel liggen; een draagbare typemachine, met in de wagen een vel papier met daarop slechts één korte, maar veelbelovende zin: De voorliefde voor verfijnde dingen; een netje met paprika's uit Padrón; en een grote warboel van paperassen tussen vele andere dingen. Als we iets kwijt waren, zochten we in een eerste opwelling op de keukentafel, maar het werkelijk ongelooflijke was dat het daar ook bijna altijd was. Russo werd er op den duur bang voor. Hij zei dat die tafel dreigde te veranderen in zo'n zwart gat, dat je volgens astronomen en dichters niet zonder gevaar kunt naderen.

Ik ben op het land gaan wonen nadat ik een keer nogal vluchtig Rabelais had gelezen. Indertijd werkte ik in een pianobar, waar ik een slangemens had leren kennen die aan de drank was. Hoe later het 's avonds werd, des te ongelofelijker werden de houdingen waarin hij zijn cognac dronk, en er ging bijna geen dag voorbij of hij liep wel een kleine verrekking of korte krampaanval op. Totdat hij een keer laat in de nacht beweerde dat hij onder het voetsteuntje door kon en bij een poging daartoe een oor afscheurde, dat opnieuw aan zijn hoofd moest worden genaaid. Het was al licht toen we in de hal van het Academisch Ziekenhuis stonden, voor de koffieautomaat waaraan we al ons kleingeld opgemaakt hadden, en hij me voorstelde een circus op te richten. Zo was mijn leven voordat ik op het land kwam wonen. Ik had Rabelais nog niet gelezen, maar ik wist al wel dat de enigen die mij interesseerden mensen waren die iets bijzonders hadden; hoe opvallender ze waren, hoe beter. Ik ging in zee met de drankzuchtige slangemens, en we zetten een advertentie in de krant waarin we gedrochten vroegen en mensen die spectaculaire stunts deden. Een paar weken later hadden we al vier dwergen die salto's maakten en die hun hanglippen in de lucht staken als ze lachten, een menselijke kanonskogel wiens kanon verzegeld was wegens een noodlottig ongeval waarbij twee kinderen om het leven waren gekomen, en een vrouw met drie borsten die als prostituée werkte in de rosse buurt. Maar toen las ik Rabelais tijdens een slapeloze nacht. Als goede humanist, leerde de arts uit Lyon mij dat je je kon omringen met persoonlijkheden die begiftigd waren met iets heel bijzonders, zonder daarom af te zien van het genot dat schoonheid ons verschaft. Dat was het. Het bijzondere van mij, als ik al iets bijzonders had, lag op het intellectuele vlak, en ik moest geen circus beginnen, maar een abdij waar alleen gevierde, mooie mensen mochten komen. Een abdij zoals die van Gargantua, met maar één wet: Doe wat je wilt, uitgebeiteld boven de grote deuren. Bijna huilend van blijdschap ging ik hals over kop een Seat 1500 kopen, die ik purper verfde met goudkleurige sierranden langs de deuren waarop ik de gedichten van de Torre de la Cautiva schilderde. Dat vond ik een geweldig detail. Na drie weken koortsachtig door de streek te hebben gereisd, kocht ik een huis in een onbewoond gehucht, en vastbesloten om daar het laatste bolwerk van vrije geesten van te maken, nam ik er mijn intrek. Die domme vragen van mij over het bestaan had ik me toen nog niet gesteld, maar van één ding was ik overtuigd, en ik deed niets anders dan daarnaar te handelen: de grootste gemene deler is het enige walgelijke begrip uit de wiskunde. En ook nu nog vraag ik me af of een onafhankelijke waarnemer zou durven beweren dat dit een leugen is.

Ik kon mijn geluk niet op toen ik werk aangeboden kreeg dat ik op afstand kon doen, wat één van de dingen is die het moeilijkst te vinden zijn in deze wereld. Het begon allemaal toen mijn mening gevraagd werd voor een soort enquête van een literair tijdschrift. Het was iets volstrekt onzinnigs: we moesten Barcelona beschrijven alsof het een vrouw betrof, met de bedoeling een bekend portretschilder rijkelijk te voorzien van interessant materiaal. Na een nauwgezette analyse van de beschrijvingen zou hij een schilderij maken van deze dame die voortsproot uit de dromen van de burgers, en zijn werk zou op de voorkant van het kerstnummer komen te staan. We moeten toegeven dat de wereld van de journalistiek ongebruikelijke genieën herbergt. Daar heb ik Russo namelijk leren kennen, want híj was die ingehuurde portretschilder. Alleen híj kon zich tot iets verbinden wat gewoonweg onmogelijk was, zoals ook vrijwel meteen zou blijken. Aanvankelijk dacht Russo tot een synthese te kunnen komen van een vrouwegestalte vol leven, maar ook vol met gebarsten gargouilles, vocht van de havens en warme autobanden. Daarom hield mijn beschrijving van de stad hem bezig, en daarom belde hij me op met de vraag of ik hem wilde helpen bij zijn werk. Ik had in een kamer die onder water stond, een oude vrouw gezien met de ogen en de mond van een verbaasd meisje in een tweeslachtige houding: het leek of ze op het moment dat ze opstond, merkte dat ze liever zat, of dat ze toen ze ging zitten, merkte dat ze toch liever stond. Russo, die net een zelfportret gemaakt had waarop je hem makkelijk leunend tegen een niet-bestaande muur zag, besloot dat de tweeledige houding uit mijn beschrijving bijna een openbaring was. Ondanks dat hij daarvan overtuigd was -of misschien juist daardoor- lukte het hem niet het beeld te vinden van deze vrouw die onmogelijk kon bestaan. Uiteindelijk bood hij zijn verontschuldigingen voor zijn falen maar aan in een open brief aan de muzen, die hij vergeleek met taxichauffeurs die achter het stuur in slaap vallen. Zo kreeg het project het einde dat het verdiende, maar zowel Russo als ik ging erop vooruit doordat we erbij betrokken waren geweest. Hij ontdekte een wereld van onuitputtelijke inspiratie in de dwergen en de vrouw met de drie borsten, die bovendien zijn beste gezelschap werden. En ik werd gebeld door een uitgever die onder de indruk was van de scherpzinnigheid waarmee ik onze stad had beschreven en mij een vaste rubriek wilde geven in een tijdschrift. Een veel slechter tijdschrift dan het blad dat de enquête had georganiseerd. Helaas had de rubriek al een titel: Voorbeeldige Levens, wat letterlijk weergaf wat mijn uitgever voor ogen stond. Het ging erom korte, boeiende biografieën te schrijven. Wanneer had de mensheid al haar grootheid getoond? In de kalmte waarmee Socrates de gifbeker oppakte, in de verbeten strijd van Helen Keller, in de mystieke vermetelheid van Jeanne d'Arc, en in de nimmer aflatende vastberadenheid van Thomas Alva Edison, van wie de uitgever een ingelijste foto op tafel had staan, waarop de uitvinder tegen een stoelleuning steunt. Naast hem een man in een lange laboratoriumjas, die een map onder zijn arm heeft en met een verwarde uitdrukking op het gezicht tegen hem spreekt. Onderaan de foto werd het tafereel met drukletters toegelicht: Edison geeft raad over een moeilijke kwestie.
'Carlyle schreef al dat de geschiedenis van de mensheid niets anders is dan de biografie van de groten,' concludeerde mijn uitgever, die naarmate hij zichzelf langer hoorde praten, steeds lyrischer werd.
'U wordt door mij betaald om de mechanismen van de ziel bloot te leggen, beste vriend. Ik wil dat u uw pen beetpakt zoals u een nog warme lever zou beetpakken. Ik wil dat u een berg kloppende ingewanden ziet als u naar uw typemachine kijkt. Ik wil dat uw biografieën razend leerzaam zijn. ??